Terug naar de app Terug naar de app
PractiQ
CO-verlenging · Hoofdstuk 9
09 · De onderhoudsbeurt

Onderhoud, luchttoevoer­meting en rapport

Bij een onderhoudsbeurt maak je meer schoon dan alleen de brander. Je kijkt naar de hele installatie: de gasleiding, de rookgasafvoer, de luchttoevoer en de ruimte (zie figuur 9.1).

Scroll om te beginnen
Doelen

Na dit hoofdstuk kun je:

  • uitleggen waarom onderhoud nodig is en hoe vaak het moet;
  • de klant vragen naar klachten en veranderingen in huis, en die antwoorden gebruiken;
  • de algemene toestand beoordelen van gasleiding, rookgasafvoer, luchttoevoer en ruimte;
  • de verbrandingsluchttoevoer meten en de uitkomst beoordelen;
  • een toestel na onderhoud of reparatie weer veilig in bedrijf nemen;
  • de eigenaar informeren met je meetwaarden en een onderhoudsrapport invullen.
Overzicht De hele installatie

Waar kijk je naar bij onderhoud?

Je praat met de klant. Aan het eind zet je het toestel weer veilig aan en schrijf je op wat je hebt gedaan en gemeten. Dat rapport is jouw bewijs dat de installatie veilig was toen je wegging.

Figuur 9.1 Waar kijk je naar bij onderhoud? De zes punten komen terug in 9.3 tot en met 9.5.
  1. 1Gasleiding9.3
  2. 2Rookgasafvoer en luchttoevoer9.4
  3. 3Ventilatie9.5
  4. 4Bouwkundig en ruimte9.5
  5. 5Sifon9.5
  6. 6Beveiligingen9.5

verse luchtrookgas.

Het voorschrift van de fabrikant gaat altijd voor.

Bron

NEN 3028 tabel 1a; BRL 6000-25 bijlage 3 en bijlage 4; Kleintje Gas §8.6.2 en §9.3.5.

9.1 Waarom en hoe vaak

Waarom onderhoud?

Een toestel dat op tijd onderhoud krijgt, levert vier dingen op:

Veiligheid: minder kans op CO en op rookgas in huis.

Rendement: het toestel stookt zuinig, de klant betaalt minder voor gas.

Bedrijfszekerheid: minder storingen, geen koude douche in de winter.

Levensduur: het toestel gaat langer mee.

Deze vier punten noem je ook als de klant vraagt waarom hij voor onderhoud moet betalen.

Hoe doe je het onderhoud, en hoe vaak?

Volg het onderhoudsvoorschrift van de fabrikant: dat van het toestel en dat van de rookgasafvoer. Is er geen voorschrift, bijvoorbeeld omdat het toestel heel oud is of de fabrikant niet meer bestaat? Dan loop je de controlepunten van bijlage 4 van de BRL 6000-25 na (zie 9.10), en krijgt het toestel minimaal een keer per 12 maanden onderhoud.

De gasinstallatie wordt ten minste een keer per 6 jaar op gasdichtheid gecontroleerd.

Bron

BRL 6000-25 §5.2.12; Kleintje Gas §8.6.1, §8.6.4 en §8.6.8.

Schets Wie bepaalt hoe vaak? Eerst de fabrikant.
9.2 In de gang

Het gesprek vooraf: klachten en veranderingen

De bewoner merkt dingen die jij niet ziet. Vragen naar klachten en opmerkingen over het gebruik van het toestel hoort daarom bij elke beurt.

  1. 1Hoe werkt het toestel? Valt het weleens uit of geeft het storingen? Wordt het water of het huis goed warm?

  2. 2Hoe voelen de bewoners zich?

    Klachten door CO lijken op griep en verdwijnen buiten; ruik je bij binnenkomst een bedompte lucht of zie je veel vocht, dan meet je CO in de ruimte (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.5 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2).

  3. 3Is er iets veranderd in huis?

    Denk aan een nieuwe afzuigkap of mechanische ventilatie, na-isolatie of nieuwe kozijnen (kieren zijn dan dicht), dichtgemaakte roosters of een verbouwing. Zo'n verandering kan de luchttoevoer van een open toestel slechter maken. Beoordeel dan opnieuw of de luchttoevoer genoeg is (zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.6 en 9.6).

Wat doe je met de antwoorden?

Noteer ze in je onderhoudsrapport.

Gebruik ze bij je controle. Valt het toestel vaak uit, kijk dan extra goed naar de afvoer en de luchttoevoer. Grijpt de TTB vaak in, dan kan rookgas terugslaan.

Houd ze beschikbaar in het rapport (9.10).

Let op

Geen klachten betekent niet dat alles in orde is. Voor het werk meet je altijd CO in de opstellingsruimte.

Bron

BRL 6000-25 §5.2.6 en §5.3; Kleintje Gas §3.1.2, §3.1.4, §8.6.2, §8.6.4, §9.3.4 en §9.3.5.

Figuur 9.1 · punt 1
9.3 Punt 1

De gasleiding beoordelen

Visueel: is de leiding aangetast?

Bij elke beurt bekijk je de gasleiding met de verbindingen van buiten. Let op beschadiging en slijtage, corrosie (roest op het oppervlak of putjes in het metaal), bescherming tegen stoten en corrosie, en juist materiaal dat goed is bevestigd en gebeugeld.

Zie je geen slijtage, beschadiging, corrosie, putjes of scheuren? Dan voldoet de leiding. Zie je wel aantasting, dan gelden deze grenzen:

Soort aantasting en grensdoorsnede van de leidingwand

Slijtage of beschadiging

hoogstens 30% van de wanddikte diep (bij metaal meer als er nog 1 mm of meer wand over is)

Roest op het oppervlak

wand hoogstens 30% dunner (tenzij er nog 1 mm of meer over is)

Putcorrosie

putjes hoogstens 30% van de wanddikte en hoogstens 0,5 mm diep

Scheuren

niet toegestaan

Kruipruimte. Daar is het vochtig en slecht geventileerd, dus metalen leidingen roesten er. Leidingen van voor 1987 hebben vaak geen beschermende mantelbuis. Die controleer je regelmatig op dichtheid en met je ogen. Een lek in de kruipruimte merkt niemand op, tot het gas boven de vloer komt.

Bron

NEN 8078 §5.1.1; BRL 6000-25 §5.2.14 en bijlage 4; Kleintje Gas §8.4.1, §8.4.2 en §8.6.2.

Schets Onder de vloer merkt niemand het lek op.

Dichtheid

Een bestaande leiding beproef je alleen op werkdruk.

  • Lekverlies kleiner dan 5 dm3/h: de leiding is gasdicht genoeg. Daarboven wordt de installatie afgekeurd.
  • Lekverlies groter dan 1 dm3/h: zoek met lekzoekspray of het lek op een plek zit, en repareer dat.
Lekverlies2,5 dm³/h
Sleep
08 dm³/h

Heb je de gastoevoer na de aansluitkraan losgenomen? Controleer dan na het werk de aansluitleiding met het gasblok. Het stappenplan staat in hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.

Bron

NEN 8078 §5.2.2; BRL 6000-25 §5.2.14; Kleintje Gas §8.3.1, §8.3.3 en §8.6.2.

Figuur 9.1 · punt 2
9.4 Punt 2

Rookgasafvoer en luchttoevoer beoordelen

Hoe een afvoer goed gemonteerd wordt, heb je in hoofdstuk 5 geleerd. Bij onderhoud loop je dezelfde punten na als bij de visuele controle in hoofdstuk 5, paragraaf 5.9: beugels, afschot van 50 mm per meter, verbindingen niet geschroefd, gekit, gelijmd of geplakt, geen vreemde gaten, flexibele buis alleen verticaal, het juiste materiaal (nooit aluminium met RVS), storm- of schachtbeugel en de uitmonding (hoofdstuk 6), als je die eenvoudig kunt beoordelen. Daarbij kijk je of er geen lekkage is: geen sporen van rookgas of condensaat bij de verbindingen.

Zoek de fout

Keur de afvoer

Een collega heeft deze afvoer vorig jaar aangepast. Tik alle plekken die niet in orde zijn. Tik daarna op Klaar.

0 aangetikt

    Een oudere afvoer. Schroeven in de verbindingen of een wand dunner dan 90% van de oorspronkelijke dikte: dan moet de afvoer worden vervangen. Waar slijtage zich laat zien en wanneer je een afvoer niet meer vertrouwt, staat in hoofdstuk 5, paragraaf 5.8.

    Doorgeroest of lekkend. Dan kan rookgas met CO de ruimte in komen. Een afvoer met lekkage is niet in orde: herstel hem volgens het voorschrift van de fabrikant van de afvoer. Komt er ontoelaatbaar veel CO vrij, dan stel je het toestel buiten bedrijf. Tape of kit is geen herstel, want verbindingen van de rookgasafvoer mogen niet worden geplakt of gekit.

    Rookgaslekkage opsporen.

    • Open toestel: beslaat een koude spiegel (dauwspiegel) bij de trekonderbreker of bij het toestel, of meet de rookgasmeter rookgas, dan komt er vochtig rookgas uit (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.7).
    • Concentrische afvoer: de afvoerbuis zit in de luchtbuis, dus een lek zie je niet. Je vindt het met een CO2-meting op het meetpunt van de luchttoevoer (zie 9.6).
    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.7, §5.2.10, §6.1 en bijlage 3; Rogafa-beugelvoorschrift; Kleintje Gas §4.1.7, §4.2.2, §4.4.2, §8.5.2, §8.6.2, §9.3.2 en §9.3.4.

    Schets Zichtbaar maken wat je niet ziet.
    Figuur 9.1punt 3 tot en met 6
    9.5 Punt 3 en 4

    De ruimte en de rest van de installatie

    De ruimte: kort nalopen

    De eisen aan de opstellingsruimte staan in hoofdstuk 4. Bij onderhoud loop je ze kort na zoals in hoofdstuk 4, paragraaf 4.8: de plaats van het toestel, brand (niets brandbaars binnen 0,5 m), de vrije ruimte, de temperatuur (onder 40 °C bij een solo-cv-toestel, onder 25 °C bij een combi- of tapwatertoestel; de temperatuurgrenzen staan in paragraaf 4.4) en de ventilatie: roosters zijn er en zijn niet dichtgestopt. Een B11 hoort niet in een woning met mechanische ventilatie; een afzuigkap of badkamerventilator mag naast een B11 alleen onder de voorwaarden van hoofdstuk 4, paragraaf 4.5, en als de luchttoevoertest (9.6) laat zien dat er geen rookgas terugstroomt.

    Is de luchttoevoer van een open toestel dichtgemaakt? Leg de klant uit waarom die open moet. Is het toestel zo niet veilig, dan gaat het niet aan.

    Bron

    NEN 3028 §5.3, §6.1.2, §6.2, §6.3 en §6.5; BRL 6000-25 bijlage 3; Kleintje Gas §3.1.2, §3.1.3, §4.3.1, §8.6.2 en §9.3.5.

    punt 5 en 6Sifon, beveiligingen en andere onderdelen

    Sifon. De toestelsifon houdt rookgas tegen, een tweede sifon rioollucht (hoofdstuk 7, paragraaf 7.7). Controleer of beide gevuld en schoon zijn.

    Beveiligingen. Kijk of een beveiliging is overbrugd of uitgeschakeld, zoals de TTB of een luchtdrukschakelaar. Dat is nooit toegestaan (hoofdstuk 1, paragraaf 1.10).

    Andere toestellen. Kijk ook naar een gaskachel of geiser. Wijs de klant erop dat die ook onderhoud nodig hebben. Hangt de gasslang van het fornuis in hete rookgassen, of kan de oven hem verwarmen? Wijs op het gevaar.

    Veiligheidsklep. Licht de veiligheidsklep van de cv-installatie om te zien of hij werkt. Kan dat niet, of is de kans groot dat hij daarna lekt? Dan is het verstandig hem elke 5 jaar te vervangen.

    Bron

    Kleintje Gas §4.2.3 en §8.6.2.

    Signalen dat er iets mis is

    De signalen ken je uit hoofdstuk 2, paragraaf 2.6 en 2.7: een geel-oranje vlam, roest, corrosie of roet aan het toestel, bruine aanslag, beslagen ramen of muren en een toestel dat vaak uitvalt op de TTB. Zie je zo'n signaal, dan zoek je de oorzaak voordat je verder gaat.

    Kun je niet alles bewijzen? Soms vind je geen fout, maar kun je ook niet aantonen dat alles goed is. Bijvoorbeeld: de afvoer loopt door een dichte schacht. Dan adviseer je een CO-melder en een nader onderzoek, bijvoorbeeld naar de afvoer. Staat er een open of afvoerloos toestel zonder CO-melder, dan adviseer je een melder in de ruimte van dat toestel (meer daarover in hoofdstuk 10, paragraaf 10.3).

    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.15 en §5.3; Kleintje Gas §3.1.4 en §9.3.4.

    9.6 Kern van dit hoofdstuk

    De verbrandings­luchttoevoer meten

    Waarom meet je de luchttoevoer?

    Een brander heeft schone lucht nodig; krijgt hij te weinig, dan ontstaat CO (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.2 en 1.4).

    Zuigt het toestel rookgas weer aan, dan heet dat recirculatie (zie figuur 9.2). De verbrandingslucht heeft dan minder zuurstof en bevat CO2. Oorzaken zijn een lek binnen een concentrische afvoer, of wind rond de uitmondingskap die een beetje rookgas mee naar binnen neemt.

    Figuur 9.2 Recirculatie: rookgas dat terug de luchttoevoer in gaat. Door wind rond de kap tot ongeveer 1% CO2 hoger (toelaatbaar); door een lek in de binnenbuis fors hoger (nader onderzoek).

    Bij een open toestel komt de lucht uit de ruimte. Daar gaat het erom of er genoeg lucht binnenkomt en of het rookgas goed wegtrekt.

    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.7; Kleintje Gas §2.2.2, §2.2.4, §8.6.6 en §9.3.5.

    Zo doe je het: meting op het luchttoevoermeetpunt (gesloten toestel)

    Je meet met een gekalibreerde rookgasmeter op de juiste gassoort (hoofdstuk 8, paragraaf 8.6). Alleen met een gekalibreerde meter mag je goed- of afkeuren.

    Doe het zelfin de tekening

    Figuur 9.3 De luchttoevoermeting bij een concentrisch systeem: meet op meetpunt B (luchttoevoer), met de mantel dicht.
    1. Laat het toestel stabiel branden, zoals bij de rookgasanalyse (minimaal 5 minuten op vollast, hoofdstuk 8, paragraaf 8.6), tenzij de fabrikant iets anders voorschrijft.
    2. Zoek het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer op het toestel (meetpunt B in figuur 9.3). Waar het zit en hoe diep de sonde erin moet, staat in het voorschrift van de fabrikant.
    3. Houd de mantel dicht, tenzij het onderhoudsvoorschrift iets anders zegt. Met een open mantel zuigt het toestel ruimtelucht aan en meet je niet wat de brander echt krijgt.
    4. Lees CO2, O2 en CO af en noteer ze.
    5. Sluit het meetpunt weer goed af.

    Concentrisch systeem. Een lek in de binnenbuis zie je niet. Deze meting is daarom een vaste controle uit de BRL.

    Parallel systeem. Lucht en rookgas lopen door twee aparte buizen. Voor dit systeem geeft de BRL geen aparte CO2-meting. Volg het voorschrift van de fabrikant. Een toestel kan een meetpunt op de luchttoevoer hebben om recirculatie te controleren.

    De uitkomst beoordelen

    CO2 op het luchttoevoermeetpunt

    gelijk aan buitenlucht

    Wat betekent het?
    Het systeem werkt goed.
    Wat doe je?
    Waarde noteren.

    tot ongeveer 1% hoger

    Wat betekent het?
    Wind rond de kap zuigt een klein beetje rookgas aan. Toelaatbaar.
    Wat doe je?
    Waarde noteren.

    fors hoger

    Wat betekent het?
    Waarschijnlijk een lek binnen het concentrische systeem.
    Wat doe je?
    Nader onderzoek. Komt er ontoelaatbaar veel CO vrij, dan het toestel buiten bedrijf.

    O2 en CO. Je beoordeelt de meting op het CO2, maar noteert O2 en CO erbij. Schone buitenlucht heeft ongeveer 21% O2. Zie je minder O2 of wel CO, dan zit er rookgas in de verbrandingslucht. Zoek dan de oorzaak, net als bij te veel CO2. Stikstof meet je niet: je rookgasmeter heeft er geen sensor voor.

    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.7, §5.2.10, §6.1 en §6.2.1; Kleintje Gas §2.2.2, §2.2.8, §8.5.2 en §8.6.6.

    Bij open toestellen: CO in de ruimte en de trek

    Voor het werk meet je CO in de ruimte (hoofdstuk 3, paragraaf 3.4). Meet je bij een open toestel 5 ppm of meer, dan controleer je ook:

    • de onderdruk door ventilatieapparatuur (bij 5 tot 20 ppm);
    • de trek van een B11, volgens de fabrikant (bij 5 ppm of meer).

    De verdunning over de trekonderbreker. Zo zie je of de afvoer van een B11 goed werkt. Meet het CO2 in het rookgas voor de trekonderbreker (VATO) en na de trekonderbreker, met ramen, deuren en afsluitbare roosters dicht. Dan reken je:

    verdunning = CO2 voor VATO / CO2 na VATO

    • 2 of hoger: de afvoer werkt goed.
    • 1,5 of lager: de afvoer is kritisch.
    Schets Ruimtelucht verdunt het rookgas bij de trekonderbreker.

    Deze getallen zijn richtcijfers. Kijk daarnaast of er aanwijzingen zijn dat er regelmatig rookgas uit de B11 de woning in komt: bruine aanslag op wanden en plafond, vaak uitval op de TTB, of rookgas bij de VATO (koude spiegel of rookgasmeter). Controleer je de trek omdat de CO in de ruimte 5 ppm of meer was, dan geldt sowieso: eerst de oorzaak vinden en wegnemen, pas daarna gaat het toestel weer aan.

    Rekenvoorbeeld: voor de VATO 6% CO2, na de VATO 2,5%. Verdunning = 6 / 2,5 = 2,4: goed. Na de VATO 4,5% geeft 6 / 4,5 = 1,3: kritisch.

    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.4, §5.2.6 en §5.2.8; Kleintje Gas §9.3.4.

    Reken zelf

    Hoe werkt deze afvoer?

    Je meet het CO2 bij een B11. Reken de verdunning uit (een cijfer achter de komma).

    De luchttoevoertest bij open toestellen

    Twijfel je of de ruimte van een open toestel genoeg lucht krijgt? Doe dan een luchttoevoertest: je meet hoe ver het CO2 oploopt. De test bij een afvoerloze geiser (type A) staat in hoofdstuk 4, paragraaf 4.8: na 15 minuten branden meet je op 1,7 m hoogte en 1 m voor het toestel, en boven 1,5% CO2 is de luchttoevoer onvoldoende.

    Voor elke luchttoevoertest geldt:

    • alleen voor aardgastoestellen;
    • de meter wijkt hoogstens 0,3% CO2 af;
    • wind beïnvloedt de uitkomst; bij windstilte of harde wind herhaal je soms bij ander weer;
    • let op de CO in de ruimte voor je eigen veiligheid (Arbo: 20 ppm over 8 uur, 100 ppm over 15 minuten, zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1);
    • vaste roosters blijven de beste oplossing, en een gesloten toestel heeft de voorkeur.

    Type B11: twee metingen

    Natuurlijke ventilatie

    Meting 1
    Ramen en roosters dicht, binnendeuren van de ruimte dicht, alle B-toestellen aan. Na 5 minuten komt er geen rookgas meer uit de trekonderbreker. Meet CO2 na de VATO als de waarde stabiel is.
    Meting 2
    Ramen en roosters open in gevels tegenover elkaar. Meet opnieuw CO2 na de VATO.

    Mechanische ventilatie (ook afzuigkap of raamventilator)

    Meting 1
    Ramen, buitendeuren en roosters dicht, binnendeuren open, ventilatie en afzuiging op de hoogste stand, alle B-toestellen aan. Na hoogstens 5 minuten ontsnapt er geen rookgas meer uit de VATO. Meet CO2 na de VATO als de waarde stabiel is.
    Meting 2
    Ventilatie uit, afzuiging op de laagste stand (als dat kan), ramen en roosters open in gevels tegenover elkaar. Meet opnieuw CO2 na de VATO.

    Figuur 9.4 De luchttoevoertest bij een B11 met twee metingen van het CO2 na de VATO. Mechanische ventilatie van de woning past niet bij een B11; rechts gaat het dus om bijvoorbeeld een afzuigkap of raamventilator (9.5).

    Onvoldoende (ruimte te dicht)

    De luchttoevoer is onvoldoende als de twee metingen meer dan 1% CO2 verschillen, als de hoogste meting meer dan 6% CO2 is, of als er bij een van de metingen rookgas uit de VATO lekt (zie figuur 9.4).

    Bron

    Arbeidsomstandighedenregeling bijlage XIII; NEN 3028 tabel 1a; Kleintje Gas §9.3.5.

    Figuur 9.4: Getekend naar Kleintje Gas §9.3.5, afb. 9.5 en 9.6.

    Beoordeel de test

    Krijgt deze ruimte genoeg lucht?

    Een luchttoevoertest bij een B11 op aardgas. Kies je oordeel.

    9.7 Weer aan

    Na het werk: weer veilig in bedrijf

    In bedrijf stellen en vrijgeven voor gebruik is een werkzaamheid onder de BRL. Jij bent er verantwoordelijk voor dat het toestel veilig is als je het aanzet.

    Zo doe je het

    Fase 1Controleren voor de start
    1. 1Visuele controle. Alles weer goed gemonteerd? Pakkingen van losgehaalde onderdelen vervangen? Mantel goed?

    2. 2Onderdelen. Alleen onderdelen die de fabrikant voorschrijft, of minstens gelijkwaardige (ook gereviseerde).

    3. 3Sifon gevuld. Vul de toestelsifon met water voordat je start. Zonder water in de sifon kan rookgas de opstellingsruimte in komen. Een kapotte sifon vervang je dus eerst.

    4. 4Gasdicht. Was een gasaansluiting los, dan test je die op lekkage (zie 9.3).

    Fase 2Aanzetten en meten
    1. 5Toestel aanzetten en de werking van toestel en regeling controleren volgens de fabrikant, ook de waterdruk. Twijfel je aan de belasting, controleer die dan met de 36-secondenregel (hoofdstuk 8, paragraaf 8.8).

    2. 6Rookgasmeting. CO onder de waarde van de fabrikant. Geeft de fabrikant geen waarde, dan hoogstens 50 ppm (type A), 200 ppm (type B) of 400 ppm (type C). Controleer ook O2 en stel zo nodig af (hoofdstuk 8, paragraaf 8.7).

    3. 7Luchttoevoermeting bij een concentrisch systeem (9.6).

    Fase 3Afsluiten en vrijgeven
    1. 8Afsluiten. Meetpunten dicht, afstelling zo nodig verzegelen, aansluitingen van afvoer en luchttoevoer dicht, volgens de fabrikant.

    2. 9CO in de ruimte na het werk. Het toestel gaat pas in bedrijf als de CO in de opstellingsruimte lager dan 5 ppm is en het toestel naar jouw vakkundig oordeel veilig is.

    Wanneer gaat het toestel niet aan?

    • CO in de ruimte 5 ppm of meer, of CO in het rookgas boven de grens.
    • Bij concentrisch: CO2 in de luchttoevoer fors hoger dan buitenlucht en er komt ontoelaatbaar veel CO vrij.
    • Een beveiliging, zoals de TTB of een luchtdrukschakelaar, is overbrugd of buiten werking gesteld. Dat is nooit toegestaan, ook niet om een storing op te heffen.
    • De sifon ontbreekt of is kapot, zodat rookgas de ruimte in kan komen.
    • De afvoer lekt rookgas of is doorgeroest, en er komt ontoelaatbaar veel CO vrij.

    Dan stel je het toestel buiten bedrijf, informeer je de eigenaar en leg je vast waarom. Een toestel met te veel CO in de ruimte of in het rookgas toch in bedrijf stellen is een kritieke afwijking: een fout die tot een CO-gevaarlijke situatie leidt (hoofdstuk 3, paragraaf 3.6).

    Bron

    BRL 6000-25 §5.2, §5.2.6, §5.2.7, §5.2.9, §6.1, §6.3 en §11.1.1; Kleintje Gas §4.2.3, §8.1.5, §8.6.2 en §8.6.3.

    Beslis

    Mag het toestel aan?

    Het werk is klaar. Lees wat je weet en kies.

    Als het toestel een storing heeft

    Analyseer de storing met je ervaring en met de rookgasanalyse. Te veel CO in het rookgas kan volgens een fabrikant komen door een vervuilde brander, een fout aan de brander of rookgas dat wordt teruggezogen. In de storingstabel van de fabrikant staan per storingscode de mogelijke oorzaken en wat je controleert. Kom je er niet uit, overleg dan met de eigenaar over de vervolgstappen en adviseer zo nodig een nader onderzoek.

    Bron

    BRL 6000-25 §5.3.

    Schets Van code naar oorzaak.

    Afronden

    • Sticker op het toestel: gecontroleerd door, volgens BRL 6000-25, datum, volgend onderhoud voor (jaar of periode) en certificaatnummer.

    • Servicemelding van het toestel resetten als de fabrikant dat voorschrijft.

    • Afmelden. Je bedrijf meldt de inbedrijfstelling af bij de certificerende instelling: datum, toesteltype (A, B of C), wie het in bedrijf stelde en NAW-gegevens.

    Bron

    BRL 6000-25 §5.3.1 en §6.1.

    9.8 Aan de keukentafel

    De eigenaar informeren

    Vertel de eigenaar na het werk hoe het toestel ervoor staat, met je meetwaarden.

    Uw ketel is goed zegt weinig.

    Ik heb in de ruimte 0 ppm CO gemeten en het rookgas is in orde zegt veel meer.

    Veiligheid: de CO in de ruimte en in het rookgas, en of die binnen de grens vielen.

    Prestaties: het rookgaszijdig rendement uit je rookgasanalyse laat zien hoe zuinig het toestel werkt.

    Onderhoud: welk onderhoud de fabrikant voorschrijft en hoe vaak, voor toestel en afvoer. Ontbreekt het gebruiksvoorschrift van toestel of afvoer? Wijs de klant daarop.

    CO-melder: advies zoals in 9.5 (meer in hoofdstuk 10, paragraaf 10.3).

    Andere toestellen: hun onderhoud, en het gevaar van een fornuisslang in hete rookgassen.

    Bij vervanging van een toestel: je kunt wijzen op de wettelijke plicht om de verwarming waterzijdig in te regelen.

    Documenten: gebruiks- en onderhoudsinstructies en een kopie van het rapport. Leg uit hoe het toestel werkt en bediend wordt.

    Te veel CO in de ruimte? Bij 5 tot en met 20 ppm licht je de opdrachtgever in. Boven 20 ppm meld je getrapt (hoofdstuk 3, paragraaf 3.7).

    Bron

    BRL 6000-25 §5.1, §5.2.6, §5.2.12, §5.2.15, §5.3 en §6.1; Kleintje Gas §2.2.7, §8.1.5 en §8.6.2.

    9.9 Alles op een rij

    Checklist voor een onderhoudsbeurt

    Het voorschrift van de fabrikant gaat altijd voor.

    Checklist

    Zo loopt een beurt

    De hele beurt in negen regels, van voorbereiden tot afronden. De uitleg staat in 9.1 tot en met 9.8. Loop de lijst in gedachten na met je laatste beurt en vink af wat je deed.

    0 van 9 afgevinkt.

    Bron

    BRL 6000-25 bijlage 1 en bijlage 4; Kleintje Gas §2.3.3, §3.1.4 en §8.6.2.

    9.10 Jouw bewijs

    Het rapport

    Van elke controle leg je vast wat je controleerde en aan welke eis, wie het deed en wanneer, met welk instrument, en de uitkomst. Vond je een afwijking, dan schrijf je ook op welke maatregel je nam (zie ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.10 en hoofdstuk 8, paragraaf 8.9).

    B3

    Bijlage 3 van de BRL zegt wat er in het opleverings- en beproevingsrapport staat, ook na onderhoud: algemeen, gasleiding, opstellingsruimte, rookgasafvoer en luchttoevoer, ingebruikstelling en afwijkingen (zie ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.10).

    B4

    Bijlage 4 van de BRL geeft de controlepunten voor onderhoud als de fabrikant geen voorschrift heeft. Daar staan ook de gebruikte meetinstrumenten, de onderhoudsfrequentie, metingen als CO, O2, gasverbruik en gasvoordruk, en onderdelen als warmtewisselaar, sifon en ventilator.

    De bijlagen zijn een hulpmiddel. Wat je echt controleert, volgt uit je werk en de eisen in artikel 5.2 van de BRL.

    Bron

    BRL 6000-25 §5.3, §7.5.5, bijlage 3 en bijlage 4.

    Voorbeeld van een ingevuld onderhoudsrapport

    Dit voorbeeld is verzonnen: een gesloten combiketel met concentrische dakdoorvoer. Tussen haken staat waar het veld vandaan komt (B3 = bijlage 3, B4 = bijlage 4, of het artikel van de BRL). Een veld dat bij dit toestel of dit werk niet hoort, vul je in met "n.v.t." of laat je weg; wat je controleert volgt uit artikel 5.2.

    Zoek in het rapportVraag laden...Tik in het rapport op het veld met het antwoord.

    Onderhoudsrapport gasverbrandingstoestel

    Algemeen6 velden
    Locatie: Dorpsstraat 12, Voorbeelddorp, woonhuis, toestel op zolder. [B3, B4]
    Certificaathouder en uitvoerend bedrijf: Installatiebedrijf Voorbeeld, Werfweg 1, Voorbeelddorp, certificaatnummer 000000. [B3, B4]
    Toestel: cv-combiketel, type C, concentrische dakdoorvoer, aardgas G25.3 (volgens typeplaat geschikt). [B3, B4]
    Controles en inbedrijfstelling door: J. de Vries, 14-10-2026. [B3, B4, 5.3]
    Meetinstrumenten: rookgasmeter nr. 12 (gekalibreerd tot 03-2027), drukmeter nr. 4 (gekalibreerd tot 05-2027). [B4, 5.3]
    Onderhoudsfrequentie volgens fabrikant: een keer per jaar. [B4]
    Klant, ruimte, gasleiding en afvoer5 velden
    Klachten klant: ketel viel twee keer uit in september. Geen gezondheidsklachten, geen veranderingen in huis. In de woonkamer staat een open gaskachel (B11), zonder CO-melder.
    CO opstellingsruimte voor het werk: 0 ppm, 1,7 m hoog, 1 m van het toestel. [B3, B4, 5.2.6]
    Opstellingsruimte: montage en opstelling volgens fabrikant; luchttoevoer en luchtafvoer gecontroleerd en in orde; brandveiligheid in orde. CO in de woonkamer (open gaskachel B11): 0 ppm, dus onder 5 ppm; controle van onderdruk door ventilatieapparatuur en van de trek van de B11 daarom niet nodig. [B3, B4, 5.2.4, 5.2.8]
    Gasleiding: bestaand. Bescherming tegen mechanische beschadiging en tegen corrosie in orde; materiaal, bevestiging en beugeling in orde; geen leidingen in een kruipruimte. Gasaansluiting was los: binnenleiding met aansluitleiding en gasblok op werkdruk beproefd, 1 mbar daling in 3 minuten (grens bestaande leiding 5 mbar). [B3, B4, 5.2.14]

    Toelichting: dit is de controle na het losnemen van de gasaansluiting (9.3): beproeven op werkdruk, met de drukdaling in 3 minuten uit hoofdstuk 8, paragraaf 8.3 (bestaande leiding hoogstens 5 mbar). Het lekverlies van de hele leiding in dm3/h beoordeel je zoals in 9.3.

    Rookgasafvoer en luchttoevoer: verbindingen van de rookgasafvoer niet geplakt, gekit, gelijmd of geschroefd; beugeling, afschot en schachtbeugel in orde; geen lekkage; geen schroeven of meetnippels die niet van de fabrikant zijn; uitmonding in orde. Collectieve afvoer: n.v.t. Afvoer vervangen bij vernieuwing toestel: n.v.t., geen vervanging. [B3, B4]
    Onderhoud1 veld
    Onderhoud: brander en warmtewisselaar (verbrandingszijde) gereinigd, verbrandingsruimte gecontroleerd, pakkingen van gedemonteerde onderdelen vervangen, sifon en condensafvoer gereinigd, sifon gevuld, overdrukventiel gelicht: werkt. Waterzijdige en gaszijdige aansluiting zonder lekkage. Aarde aangesloten. Geen beveiligingen overbrugd of buiten werking. [B4]
    Ingebruikstelling en metingen8 velden
    Ingebruikstelling en metingen na onderhoud: in bedrijf gesteld volgens het voorschrift van de fabrikant; ketel werkt op cv en warm water. [B3, B4]
    Gasvoordruk (dynamisch, vollast): 24 mbar (aansluitdruk volgens fabrikant voor G25.3: 25 mbar). [B4]
    Branderdruk / gas-luchtverhouding: volgens de fabrikant gecontroleerd op het O2 in het rookgas, in orde. [B3, B4, 5.2.5]
    Rookgas vollast, voorpaneel open zoals de fabrikant voorschrijft: O2 4,8% (fabrikant voor G25.3: 4,2 tot 5,3%), CO 42 ppm (fabrikant: lager dan 250 ppm), rookgastemperatuur 58 °C. [B3, B4, 5.2.9]
    Luchttoevoermeetpunt, mantel dicht: O2 20,9%, CO2 0,0%, CO 0 ppm: gelijk aan buitenlucht. [5.2.7]
    Gasverbruik vollast: niet gemeten, geen twijfel aan de belasting. [B4]
    Waterdruk 1,4 bar (fabrikant 1,0 tot 1,5 bar); expansievat in orde. [B4]
    CO opstellingsruimte na het werk: 0 ppm. [5.2.6]
    Afwijkingen en afronden4 velden
    Afwijking en maatregel: sifon en condensafvoer vervuild; een verstopte condensafvoer staat in een storingstabel van een fabrikant als mogelijke oorzaak van de storing "geen vlamsignaal". Gereinigd, toestel werkt normaal. [B3]
    CO-melder geadviseerd: ja, in de woonkamer bij de open gaskachel. [B3, 5.2.15]
    Opdrachtgever gewezen op waterzijdig inregelen: nee, geen vervanging of nieuw toestel. [B3]
    Klant geïnformeerd: meetwaarden, voorgeschreven onderhoud en volgend onderhoud voor oktober 2027, onderhoud gaskachel. Sticker: ja. Kopie rapport bij klant: ja. [5.2.12, 5.3.1]
    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.4 t/m §5.2.9, §5.2.12, §5.2.14, §5.2.15, §5.3, §5.3.1, bijlage 3 en bijlage 4; Kleintje Gas §8.3.3.

    9.11 Alles samen

    Zo beoordeel je een situatie

    1. 1

      Welk toestel? Type A, B of C; concentrisch of parallel. Dat bepaalt de metingen en grenzen.

    2. 2

      Is het nu veilig? CO in de ruimte (5 en 20 ppm), CO in het rookgas (fabrikant, anders 50, 200 of 400 ppm), bij concentrisch het CO2 in de luchttoevoer.

    3. 3

      Wat zie je? Gasleiding, afvoer en luchttoevoer, ventilatie, ruimte, sifon, beveiligingen.

    4. 4

      Wat zegt de klant? Klachten en veranderingen wijzen je de weg.

    5. 5

      Wat is de regel? Eerst de fabrikant, dan de BRL.

    6. 6

      Beslis: goedkeuren, herstellen of buiten bedrijf stellen.

    7. 7

      Informeer en schrijf op.

    Voorbeeld. Bij een open geiser met trekonderbreker (B11) hangt sinds kort een krachtige afzuigkap. stap 1, 4 Boven de geiser zit bruine aanslag. stap 3 Een afzuigkap naast een B11 mag alleen als de luchttoevoertest laat zien dat er geen rookgas terugstroomt. stap 5 De aanslag wijst erop dat er wel rookgas uit de geiser komt. stap 3 Je meet CO in de ruimte, controleert bij 5 ppm of meer onderdruk en trek, en doet de luchttoevoertest met de kap op de hoogste stand. stap 2 Valt die slecht uit, dan neem je de oorzaak weg of gaat de geiser buiten bedrijf. stap 6 Informeer de klant en schrijf het op. stap 7

    Bron

    BRL 6000-25 §5.2.4, §5.2.6 en §5.2.8; Kleintje Gas §3.1.2, §9.3.4 en §9.3.5.

    Einde hoofdstuk 9

    Kort samengevat

    Waarom en hoe vaak
    • Onderhoud zorgt voor veiligheid, rendement, bedrijfszekerheid en levensduur. Werk volgens de fabrikant; zonder voorschrift BRL bijlage 4 en minimaal een keer per 12 maanden.
    • Vraag naar klachten en veranderingen in huis en noteer ze.
    Kijken
    • Beoordeel gasleiding (aantasting, lekverlies onder 5 dm3/h), afvoer, luchttoevoer, ruimte, sifon en beveiligingen. Een overbrugde beveiliging is nooit toegestaan.
    Meten
    • Luchttoevoermeting gesloten toestel: mantel dicht, toestel stabiel. CO2 gelijk aan buitenlucht is goed, tot ongeveer 1% hoger mag, fors hoger betekent nader onderzoek. Minder O2 of wel CO wijst ook op rookgas in de lucht.
    • Open toestel: CO in de ruimte, verdunning over de VATO (2 of hoger goed, 1,5 of lager kritisch), zo nodig de luchttoevoertest.
    Weer aan en rapport
    • Na het werk pas weer aan bij CO in de ruimte onder 5 ppm en CO in het rookgas onder de grens.
    • Rapport met de punten van BRL bijlage 3 en 4; kopie bij de eigenaar, sticker op het toestel.
    Hoofdstuk 9

    Test jezelf

    Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.

    Oefenen Microgames bij hoofdstuk 9

    Speel het na

    De onderhoudsbeurt, de luchttoevoermeting en de leidingen onder de ketel. De stof van dit hoofdstuk in drie korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.