Een toestel kan er netjes uitzien en toch slecht branden. Of het goed werkt, zie je pas aan de meetwaarden: gasdruk, rookgasanalyse, ionisatiestroom en belasting. Met die waarden onderbouw je waarom een toestel in orde is, of waarom niet.
Onderweg pak je steeds een andere meter uit de koffer, tot en met het rapport in 8.9.
Elke meting heeft een eigen instrument:
Een drukverschilmeter meet het verschil tussen twee drukken. Die heb je nodig bij toestellen waarbij gas en lucht samen worden geregeld.
Een rookgasmeter meet O2, CO, de rookgastemperatuur en de temperatuur van de verbrandingslucht.
CO2, luchtfactor (lambda), CO-luchtvrij en rendement rekent hij uit.
GassoortDie berekende waarden kloppen alleen als de meter op de juiste gassoort staat (zie 8.7).
BRL 6000-25 bijlage 2; Kleintje Gas §2.2.8 en §8.5.2.
Met een meter die misschien niet klopt, kun je niets goed- of afkeuren. Daarom:
Elke meter waarmee je goed- of afkeurt, moet gekalibreerd zijn. De status zie je op de meter, bijvoorbeeld aan een sticker. Wat kalibreren is en wanneer het eerder nodig is, staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.
Het kalibratiecertificaat mag niet verlopen zijn. Daarop staan onder meer wie heeft gekalibreerd, de datum, welk instrument het is en de uitkomsten. De referentiemeter moet minstens factor 3 nauwkeuriger zijn dan jouw meter.
Gebruik de meter zoals de leverancier voorschrijft. Vervang meetcellen op tijd.
Eisen aan de nauwkeurigheid:
Rookgasmeters voldoen aan NEN-EN 50379 (deel 2).
De drukmeter voor een dichtheidsproef moet op minstens 5% van de gemeten waarde nauwkeurig zijn. Aflezen moet kunnen tot op 0,1 mbar.
NEN 8078 bijlage A; BRL 6000-25 §6.2.1 en bijlage 2; Kleintje Gas §8.2.2, §8.5.3 en §8.5.4.
Geen enkele meter is precies. Elke meter heeft een kleine afwijking, de miswijzing.
Bij CO (in de ruimte en in het rookgas) is de waarde op je meter leidend. Je rekent niets bij of af. Wijst je meter 21 ppm aan, dan is het 21 ppm.
Bij andere grenswaarden neem je de miswijzing mee. Voorbeeld: de fabrikant eist een ionisatiestroom van meer dan 8 µA en je meter kan 1 µA afwijken. Pas bij 9 µA of meer weet je zeker dat het goed is.
BRL 6000-25 §5.2.6 en §5.2.9; Kleintje Gas §8.5.3.
Met het servicemenu stuur je het toestel aan, lees je meetwaarden uit en controleer je instellingen. Hoe het werkt, verschilt per merk en per type. Je werkt dus altijd met de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de fabrikant.
Het toestel vast op vollast of laaglast zetten. Dit heet het testbedrijf, servicebedrijf of de schoorsteenvegerstand. Op het display zie je dan vaak een H (hoog, vollast) of een L (laag, laaglast). Alleen zo meet je op een vast vermogen.
Meetwaarden uitlezen. In het informatiemenu zie je bijvoorbeeld het toerental van de ventilator en de vlamstroom (ionisatiestroom) in µA.
Instellingen controleren. Volgens de fabrikant kijk je onder meer naar:
Instellingen aanpassen als dat nodig is. Installateursinstellingen zitten vaak achter een servicecode. Zo kan de gebruiker ze niet per ongeluk wijzigen.
Voorbeeld: een fabrikant zet het maximale cv-vermogen af fabriek op 70%. Je past het aan via het toerental van de ventilator, met de tabel van de fabrikant (zie ook 8.8).
Zorg dat het toestel zijn warmte kwijt kan, anders schakelt het uit door oververhitting. Kan de cv-installatie de warmte niet opnemen, meet dan in warmwaterbedrijf met een of meer kranen helemaal open (als de fabrikant dat aangeeft).
Zet het toestel na het meten weer uit het testbedrijf.
Gewijzigde instellingen zet je na je werk terug. Verander je bewust iets blijvend, schrijf het dan op. Een fabrikant vraagt bijvoorbeeld een gewijzigde gassoort, gasdruk en parameters op de sticker bij het typeplaatje in te vullen.
Gebruik de juiste handleiding bij dit toestel. Fabrikanten passen toestellen en instellingen soms aan tijdens de levensduur.
Afstellen doe je volgens de afstelmethode van de fabrikant. Niet op gevoel, en niet omdat het "af fabriek toch goed staat".
BRL 6000-25 §5.2.5 en bijlage 4; Kleintje Gas §8.1.4.
De grenzen voor aardgas en propaan ken je uit hoofdstuk 7, paragraaf 7.5; de waarden hieronder gelden voor aardgas. Hier gaat het om waar je meet.
Wissel en kijk wat er bij A en B verandert.
Werkdruk: de druk direct na de gasmeter, terwijl de toestellen branden (zie figuur 8.1). Die ligt tussen 23,4 en 30 mbar.
Verbruiksdruk of voordruk: de druk bij de ingang van het toestel, dus voor het gasblok, terwijl dat toestel brandt. Die ligt tussen 20 en 30 mbar.
Sluitdruk: de druk die na een tijdje ontstaat als er geen gas wordt gebruikt. Die is maximaal 35 mbar.
NEN 8078 §3.18, §3.20 en §3.21; Kleintje Gas §1.2.2.
Figuur 8.1: getekend naar Kleintje Gas afb. 1.3 (§1.2.2).
De voordruk meet je dynamisch: terwijl het toestel op vollast brandt (zie figuur 8.2).
Doe de meting zelf. Stap 1: tik op de gaskraan en op de stekker.
Zo doe je het:
Sluit de gaskraan en maak het toestel spanningsloos.
Draai de meetnippel voor de voordruk op het gasblok een paar slagen open en sluit je drukmeter aan.
Open de gaskraan en zet het toestel in het testbedrijf op vollast.
Lees de druk af en vergelijk die met de waarde die de fabrikant eist.
Klopt de druk niet? Meet dan ook bij de gasmeter, met het toestel nog op vollast:
Te lage druk bij de gasmeter (onder 23,4 mbar)? Dan ligt het niet aan de leiding in de woning. Blokkeer het toestel aan de gaszijde en neem contact op met het gasbedrijf.
Goede druk bij de gasmeter, te lage druk bij het toestel? Dan gaat er te veel druk verloren in de gasleiding tussen meter en toestel. Zoek daar de oorzaak en los het op.
Zet het testbedrijf uit, haal de meter weg, draai de meetnippel dicht en controleer of hij dicht is.
Doe beide metingen daarna ook een keer met het toestel uit (geen gasafname). Bij de gasmeter moet de druk binnen de grenzen van het gasbedrijf liggen, bij het toestel binnen de grenzen van het toestel.
NEN 8078 bijlage B; BRL 6000-25 bijlage 4; Kleintje Gas §1.2.2.
Bij oudere toestellen stel je een branderdruk in. Bij moderne toestellen worden gas en lucht samen geregeld. Dan meet je een klein drukverschil tussen gas en lucht: de gas/luchtverhouding, offset of nuldruk. Dat doe je met een drukverschilmeter op de meetnippel die de fabrikant aanwijst.
Waarde en werkwijze komen altijd van de fabrikant. Voorbeeld: een fabrikant geeft voor de gas/luchtverhouding op laaglast -5 Pa met een marge van 3 Pa. Meet je -3 Pa, dan is het goed. Meet je -9 Pa, dan niet.
Zet je drukmeter eerst op nul en houd hem tijdens de meting in dezelfde positie. Draai na afloop de meetnippel weer dicht.
BRL 6000-25 §5.2.5; Kleintje Gas §8.5.2.
Heb je de gastoevoer na de aansluitkraan losgehad? Dan controleer je daarna of de aansluitleiding dicht is. Het lekverlies van de hele leiding beoordeel je zoals in hoofdstuk 9, paragraaf 9.3.
Zo doe je het:
Sluit je drukmeter aan op een meetnippel in de aansluitleiding naar het toestel.
Test de aansluitkraan: draai hem dicht en laat de druk in het stuk erachter weg. Loopt de druk niet weer op, dan sluit de kraan goed.
Zet de aansluitkranen open en de toestelkranen dicht. De eerste afsluiter in het gasblok telt hier ook als toestelkraan.
Meet hoeveel de druk zakt in 3 minuten.
Nieuw aangelegde leiding met aansluitleiding
Bestaande leiding met aansluitleiding
Beproef je met lucht of stikstof, dan duurt de proef 5 minuten.
Beoordeel de daling na die 3 minuten. Als rekenhulp voor een tussenstand: gemiddeld 0,33 mbar per minuut (nieuw) of 1,7 mbar per minuut (bestaand). Dat is geen aparte grens.
Kleintje Gas §8.3.3 en §8.6.2.
De proef loopt versneld: 3 minuten duren hier een paar seconden.
De ionisatiestroom (vlamstroom) is een heel klein stroompje door de vlam. Het toestel detecteert daarmee via de ionisatie-elektrode of er een vlam is.
Je meet de ionisatiestroom met een universeelmeter, of je leest hem uit in het informatiemenu van het toestel.
De grens verschilt per toestel. Bij het ene toestel moet het op laaglast meer dan 10 µA zijn. Bij een ander vervang je de elektrode onder 4 µA. Kijk dus altijd in de handleiding van het toestel.
Fabrikanten laten vaak meten op laaglast in het testbedrijf.
Is de stroom te laag? Controleer dan volgens de fabrikant de gas/luchtverhouding op laaglast en de ionisatie-elektrode. Een versleten elektrode vervang je.
Kleintje Gas §8.5.2 en §8.5.3.
Lucht en verbranding ken je uit hoofdstuk 7, paragraaf 7.6. Kort: door de luchtovermaat ligt het CO2 in het droge rookgas van Gronings aardgas (G-gas) altijd onder de 11,7% die het bij precies genoeg lucht zou zijn (de CO2,max), en zit er nog O2 in. Bij te weinig lucht of een slechte verbranding ontstaat CO (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.1). De hoeveelheid CO zegt iets over de kwaliteit van de verbranding.
Kleintje Gas §2.2.4.
De luchtfactor n (op de meter vaak lambda, λ) zegt hoeveel lucht er is ten opzichte van precies genoeg. Bij n = 1 is er geen luchtovermaat; bij n = 1,3 is er 30% meer lucht dan nodig. O2 en CO2 laten allebei zien hoeveel extra lucht er is:
Meer lucht geeft een hoger O2, een lager CO2 en een hogere luchtfactor, minder lucht het omgekeerde. De meeste HR-toestellen zitten rond n = 1,2 tot 1,3. De juiste waarde voor jouw toestel geeft de fabrikant, meestal als O2- of CO2-waarde. Zie figuur 8.3.
Binnen 1,2 tot 1,3: waar de meeste HR-toestellen zitten.
Rekenvoorbeeld 1: te weinig en te veel lucht (G-gas)
De meter rekent dit allemaal zelf uit. Jij hebt maar een formule nodig, om te controleren of O2 en CO2 op je meter bij elkaar passen (G-gas):
CO2 = 11,7 x (21 - O2) / 21
Voorbeeld: je meet 4,5% O2. CO2 = 11,7 x 16,5 / 21 = 9,2%. Staat er op je meter iets heel anders, dan klopt er iets niet, bijvoorbeeld de gassoort in de meter (zie 8.7).
O2 meten is betrouwbaarder dan CO2. De CO2,max hangt namelijk af van de samenstelling van het gas. Daarom eist een fabrikant soms een rookgasmeter met een O2-sensor. Omrekenen naar CO2 mag dan wel, en de meter mag maximaal 0,3% O2 afwijken.
Dit hoef je niet uit je hoofd te kennen. De meter berekent de luchtfactor met n = 1 + 0,91 x O2 / (20,94 - O2), of uit CO2 met n = 0,91 x 11,7 / CO2 + 0,09.
Kleintje Gas §2.2.4 en §2.2.8.
Extra lucht verdunt het rookgas, waardoor de gemeten CO lager uitvalt. Om CO-waarden los van de luchtovermaat te vergelijken, rekent de meter de CO om naar rookgas zonder extra lucht: de CO-luchtvrij. Vroeger gebruikte men hiervoor de giftigheidsindex (CO gedeeld door CO2, maal 100).
Voor G-gas: CO-luchtvrij = 11,7 / CO2 x CO
Rekenvoorbeeld 2: je meet 9,2% CO2 en 60 ppm CO.
CO-luchtvrij = 11,7 / 9,2 x 60 = 1,27 x 60 = 76 ppm.
Bij luchtovermaat ligt het CO2 altijd onder 11,7%. Daarom is de CO-luchtvrij altijd hoger dan de gemeten CO.
Kleintje Gas Begrippenlijst en §2.2.4.
Uit de rookgastemperatuur, de temperatuur van de verbrandingslucht en de O2-waarde rekent de meter het rookgaszijdig rendement uit. Dat geeft een goede indicatie van hoe het toestel presteert.
Op onderwaarde kan het rendement van een HR-ketel boven 100% uitkomen, omdat de onderwaarde de condensatiewarmte niet meetelt. Voor G-gas geldt: rendement op bovenwaarde = 0,9 x rendement op onderwaarde.
Vermogen = toestelrendement x belasting (beide op onderwaarde). Het toestelrendement is iets lager dan het rookgaszijdig rendement, omdat het toestel ook warmte afgeeft aan de ruimte om zich heen.
Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.2.5, §2.2.6, §2.2.7 en §2.2.8.
Figuur 8.4: getekend naar Kleintje Gas afb. 2.9 (§2.2.6).
Een gekalibreerde rookgasanalyser (zie 8.1). Laat de meter zijn opstartprocedure helemaal afmaken voordat je de sonde in het meetpunt steekt.
BRL 6000-25 §6.2.1 en bijlage 2.
Een toestel heeft speciale meetpunten, meestal op de rookgasadapter boven het toestel (zie figuur 8.5):
Het rookgasmeetpunt. Hier meet je O2 of CO2, CO en de rookgastemperatuur. Steek de sonde zo ver in dat de punt midden in de rookgasstroom zit. De sonde moet het meetpunt goed afdichten, anders is je meting niet betrouwbaar.
Het meetpunt van de luchttoevoer. Hier meet je de temperatuur van de verbrandingslucht en controleer je of er rookgas wordt teruggezogen (recirculatie).
Hoe diep de sonde erin moet, staat in de instructie van de fabrikant (bij het toestel van figuur 8.5 ongeveer 7 cm).
Gebruik alleen de meetpunten die de fabrikant heeft aangebracht of meegeleverd. Levert de fabrikant van het toestel of van de rookgasafvoer een los meetpunt mee, dan breng je dat aan volgens zijn voorschrift.
Boor nooit zelf een meetgat in de rookgasafvoer, ook niet om het na afloop af te tapen. Wat verder niet mag aan een afvoer, zoals schroeven of eigen meetnippels, staat in hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.
BRL 6000-25 §5.2.2, §5.2.3 en bijlage 3.
Een collega heeft de afvoer van deze ketel klaargemaakt voor de rookgasmeting. Tik alle plekken die niet mogen. Tik daarna op Klaar.
Laat het toestel minimaal 5 minuten op vollast branden voor je meet. Een fabrikant vraagt te wachten tot de uitlezing stabiel is, minimaal 3 minuten. De fabrikant is leidend; wacht in elk geval tot de waarden niet meer verlopen.
Kleintje Gas §2.2.8.
Dat hangt af van wat je meet:
BRL 6000-25 §5.2.7.
Controleer je meter: gekalibreerd, opgestart en ingesteld op de juiste gassoort (zie 8.7).
Zet de mantel open of dicht zoals de fabrikant voorschrijft.
Haal de dop van het rookgasmeetpunt van de fabrikant.
Steek de sonde in het meetpunt, punt midden in de rookgasstroom, meetpunt goed afgedicht.
Zorg dat het toestel zijn warmte kwijt kan.
Zet het toestel in het testbedrijf op vollast (H). Controleer op het display dat het echt op vollast staat.
Wacht tot de uitlezing stabiel is.
Noteer O2 (of CO2), CO en de rookgastemperatuur. Vergelijk ze met de tabel van de fabrikant.
Zet het toestel op laaglast (L), wacht weer tot de uitlezing stabiel is, noteer en vergelijk.
Stel zo nodig af volgens de fabrikant (zie 8.7).
Haal de sonde weg, draai de dop weer op het meetpunt en controleer of het meetpunt gasdicht is.
Heb je het gasblok bijgesteld? Verzegel het volgens de fabrikant.
Ligt de CO boven de grens? Laat het toestel dan niet in bedrijf.
BRL 6000-25 §5.2.9 en bijlage 3.
Je meet en beoordeelt volgens de voorschriften van de fabrikant van het toestel, en het toestel moet aan zijn eisen voldoen. De fabrikant geeft meestal:
een O2- of CO2-waarde met een toegestane band, apart voor vollast en laaglast en per gassoort;
een maximale CO-waarde.
Die CO-grens verschilt per toestel: bij het ene onder 250 ppm, bij een ander maximaal 160 ppm. Kijk ook welke CO de fabrikant bedoelt. Een fabrikant noemt bijvoorbeeld 250 ppm bij verbranding zonder luchtovermaat; dat is dus de CO-luchtvrij.
BRL 6000-25 §5.2.9.
Noemt de fabrikant geen maximale CO-waarde, dan gelden deze grenzen voor CO in het rookgas:
Open toestel zonder afvoer (type A)
Open toestel met afvoer (type B)
Gesloten toestel (type C)
100 ppm: praktijk HR-ketel300 ppm: het voorbeeld in de tekst
Dit zijn de maximale waarden voor een goed afgesteld toestel. Ligt de CO hoger, dan mag het toestel niet in bedrijf.
Een eis van de fabrikant gaat altijd voor.
BRL 6000-25 §5.2.9; Kleintje Gas §8.6.7.
Bij een HR-ketel die goed werkt, ligt de CO in het rookgas in de praktijk gemiddeld rond 100 ppm. Dat is een praktijkwaarde, geen grens.
Meet je bij een gesloten toestel bijvoorbeeld 300 ppm, en noemt de fabrikant geen eis? Dan blijft het onder 400 ppm en mag het toestel in bedrijf. Maar 300 ppm is ruim boven het gemiddelde. Ga dan na waar dat door komt. De oorzaken die een fabrikant noemt, staan hieronder bij "Afstellen en oorzaken zoeken".
BRL 6000-25 §5.2.9.
Stel je af naar minder lucht, dan stijgt het CO2 en daalt het O2. Het rendement gaat omhoog, maar je komt dichter bij luchttekort. Houd de CO dus goed in de gaten.
Kleintje Gas §2.2.4, §2.2.5 en §2.2.6.
Je rookgasmeter meet O2 echt. CO2 rekent hij uit met de CO2,max van de gassoort die je in de meter hebt gekozen: CO2 = CO2,max x (21 - O2) / 21. Die CO2,max verschilt per gassoort. Kies je de verkeerde, dan kloppen de CO2, de luchtfactor en de CO-luchtvrij niet. Het werkt twee kanten op:
Zet de meter op de andere gassoort.
Voorbeeld (toestel op propaan, meter op aardgas): je meet 5,5% O2. De meter rekent met de 11,7% van G-gas: CO2 = 11,7 x (21 - 5,5) / 21 = 11,7 x 15,5 / 21 = 8,6%. Volgens een fabrikantinstructie hoort bij propaan op vollast een CO2 van ongeveer 10,1% bij ongeveer 5,5% O2. Bij de juiste instelling zie je dus 10,1%; je meter geeft 8,6%.
Zie je bij een toestel op G-gas meer dan 11,7% CO2? Dat kan niet. Kijk dan eerst of je meter op propaan staat.
De O2-waarde klopt in beide gevallen wel. Maar ook dan gebruik je de O2-tabel van de juiste gassoort.
Controleer voor elke meting op welke gassoort je meter staat. Kijk op het typeplaatje of de sticker bij het gasblok op welk gas het toestel is ingesteld.
Kleintje Gas §2.2.4, §2.2.6 en §2.2.8.
Tik in de ladder op de eerste stap die niet klopt. Is alles in orde? Tik dan op Alles goed.
BRL 6000-25 §5.2.9 en §6.2.1.
Afstellen doe je alleen volgens de methode van de fabrikant, en die verschilt per toestel. Wat je bij welk toestel mag bijstellen, ken je uit hoofdstuk 7, paragraaf 7.6; de stelschroeven zie je in figuur 8.5. Na het vervangen van onderdelen of na ombouw naar een andere gassoort controleer je altijd de gas/luchtregeling.
Is de CO te hoog, dan noemt een fabrikant als oorzaken: een vervuilde brander, een storing aan de brander, of rookgas dat wordt teruggezogen. Lukt het afstellen niet, dan laat hij ook de warmtewisselaar, de terugslagklep, het gasblok en de rookgasafvoer nakijken.
BRL 6000-25 §5.2.5.
De belasting is hoeveel energie er per tijd met het gas het toestel in gaat, in kW: hoeveelheid gas per tijd, maal de calorische waarde van het gas (de energie in een kubieke meter gas).
Boven- en onderwaarde ken je uit hoofdstuk 1, paragraaf 1.5: voor Gronings aardgas is Hs 35,17 MJ/m3 en Hi 31,65 MJ/m3. Typeplaatjes geven vaak de belasting op onderwaarde (Bi), wij rekenen met de bovenwaarde: Bs = 1,11 x Bi. Let op het verschil met vermogen: dat is de warmte die het toestel aan het water afgeeft.
NEN 8078 §3.5 en §3.6; Kleintje Gas Voorwoord, Begrippenlijst en tabel 3.3.
Bij een toestel op aardgas geldt: de belasting in kW is gelijk aan het aantal dm3 gas dat in 36 seconden door de gasmeter gaat. (1 dm3 is 1 liter.)
Waarom 36 seconden? In 1 dm3 aardgas zit 35,17 kJ. Verbrand je dat in 36 seconden, dan is dat 35,17 / 36 = ongeveer 1 kW (zie figuur 8.6). Het is een globale meting. Je meet 180 seconden (5 x 36) en deelt de uitkomst door 5.
Zo doe je het:
Zet het toestel in het testbedrijf op vollast en laat het ongeveer 1 minuut branden.
Zorg dat het toestel de hele meting op vollast blijft. Het moet zijn warmte kwijt kunnen (zie 8.2).
Start de stopwatch en schrijf tegelijk de meterstand op, in dm3.
Schrijf na precies 180 seconden de meterstand opnieuw op.
Reken uit: Bs = (eindstand - beginstand) / 5 in kW.
Voorbeeld: beginstand 00233,372 m3, eindstand 00233,492 m3. Verbruik 0,120 m3 = 120 dm3, belasting = 120 / 5 = 24 kW.
Kleintje Gas §8.6.3 en tabel 3.3.
Op het typeplaatje van een cv-ketel staat: belasting vollast 21,6 kW (Hi).
Het verschil is 0,6 kW, minder dan 3%. De 36-secondenregel is een globale meting, dus zo'n klein verschil zegt niets. Conclusie: de belasting klopt met het typeplaatje. Had je 23,4 kW naast 21,6 kW gelegd, dan dacht je ten onrechte dat het toestel te veel gas krijgt.
Kijk altijd of het typeplaatje de belasting op onderwaarde of op bovenwaarde geeft. Sommige fabrikanten geven ze allebei, bijvoorbeeld 23,5 kW (onderwaarde) en 26,1 kW (bovenwaarde) voor hetzelfde toestel.
Zelfde ketel, maar nu meet je in cv-bedrijf 86 dm3 in 180 s. Belasting: 86 / 5 = 17,2 kW. Het typeplaatje zegt 24,0 kW (bovenwaarde). Dat is bijna 7 kW minder: zo'n verschil is geen meetfout. Wat doe je?
Staat het toestel echt op vollast? Kijk op het display (H).
Hoe staat het maximale cv-vermogen in het servicemenu? Een fabrikant zet dat af fabriek op 70%. Dan meet je in cv-bedrijf minder dan het typeplaatje. Kijk in de tabel van de fabrikant welk vermogen bij de ingestelde stand hoort. Let ook op: een combiketel kan voor cv en voor warm water een andere belasting hebben.
Klopt de ingestelde gassoort, en klopt de voordruk (8.3)?
Kun je de afwijking zo niet verklaren? Controleer de gas/luchtregeling volgens de fabrikant. Een afwijking op vollast kun je bij sommige toestellen niet met het gasblok bijstellen; dan controleer je de gasdichtheid en onderdelen zoals de gasdoseerring en de ventilator met venturi.
BRL 6000-25 bijlage 4; Kleintje Gas §2.3.1 en §8.6.3.
Heb je niet precies 180 seconden gemeten? Reken dan met de calorische bovenwaarde:
B (kW) = V (dm3) x Hs (MJ/m3) / t (s)
Rekenvoorbeeld 5: je meet 50 dm3 in 90 seconden. B = 50 x 35,17 / 90 = 19,5 kW.
Krijg je een andere Hs opgegeven, dan vul je die in.
Kleintje Gas Begrippenlijst en §8.6.3.
Vollast: de werkwijze hierboven. Het gasverbruik op vollast hoort bij de controlemetingen bij onderhoud.
Laaglast: fabrikanten geven ook de belasting op laaglast, bijvoorbeeld 6,5 tot 26,1 kW (bovenwaarde) van laaglast tot vollast. De rekenregel blijft hetzelfde. Zet het toestel daarvoor volgens de fabrikant in het testbedrijf op laaglast.
Propaan: de 36-secondenregel geldt alleen voor aardgas. Voor een toestel op propaan volg je de fabrikant.
BRL 6000-25 bijlage 4; Kleintje Gas §8.6.3.
Meten zonder opschrijven telt niet. Wat je van elke controle vastlegt (wat, tegen welke eis, wie, wanneer, met welk instrument en de uitkomst), ken je uit hoofdstuk 3, paragraaf 3.8. De controlelijsten in de bijlagen van de BRL zijn een hulpmiddel; welke controles verplicht zijn, staat in artikel 5.2.
Bij een toestel horen in het rapport de gemeten en de ingestelde waarden. Denk aan:
Bewaar je controles zo dat de certificerende instelling ze kan nagaan.
BRL 6000-25 §5.2, §5.3, bijlage 3 en bijlage 4; Kleintje Gas §8.6.2 en §8.6.4.
Vijf vragen. Kies of reken eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Meet met de juiste meter, voer de rookgasanalyse uit en beoordeel de uitkomst. De stof van dit hoofdstuk in vijf korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.