Een nieuw toestel hangt aan de muur, of je hebt net onderhoud gedaan. Nu moet het weer veilig branden. Bij het in bedrijf stellen beslis jij of het toestel past bij het gas dat er echt uit de leiding komt, en of het goed is afgesteld. Daarom leer je hier het typeplaatje lezen, de gassoorten herkennen en het toestel stap voor stap in bedrijf stellen en overdragen.
Alles komt samen in 7.10: tien vragen voor je een toestel laat branden.
In bedrijf stellen betekent: het toestel na het werk weer laten branden, controleren of alles goed werkt en het vrijgeven voor gebruik. Dat geldt na een nieuwe installatie, maar ook na onderhoud, een reparatie of een uitbreiding.
Tot welke grootte? Dit hoofdstuk en de vakbekwaamheid van de VP (vakbekwaam persoon) gaan over toestellen tot 130 kW belasting op bovenwaarde.
130 kW is belasting (de energie die erin gaat). Het certificaat volgens de BRL 6000-25 noemt 100 kW vermogen (de warmte die eruit komt).
In bedrijf stellen vraagt ten minste het niveau VP. Ook een toestel buiten bedrijf zetten, of weigeren het aan te zetten omdat het onveilig is, is werk voor de VP.
Uitzondering: is er alleen gewerkt aan het deel van het toestel dat niets met de verbranding te maken heeft? Dan mag elke monteur het toestel weer inschakelen. Voorwaarde: het bedrijf is gecertificeerd en het werk is gedaan door minimaal een VOP (vakbekwaam onderhoudspersoon) van datzelfde bedrijf.
Kritieke afwijking. Wat een kritieke afwijking is en dat je een toestel met ontoelaatbaar veel CO buiten bedrijf stelt, staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.6. Twee kritieke afwijkingen horen bij dit hoofdstuk:
1een toestel in bedrijf stellen terwijl er meer CO in de opstellingsruimte of in het rookgas zit dan de BRL toestaat, zonder dat eerst op te lossen;
2een toestel in bedrijf laten stellen door iemand die daarvoor niet genoeg gekwalificeerd is.
BRL 6000-25 §2.1, §5.4, §6.1, §11.1.1 en bijlage 1; Kleintje Gas §8.1 en §8.1.1.
Wat er in aardgas zit en wat Hs en Hi betekenen, lees je in hoofdstuk 1, paragraaf 1.2 en 1.5. Hier gaat het om de vraag: welk gas is het, en past het toestel daarbij?
Het gas in het net is tegenwoordig een mengsel uit verschillende bronnen, soms met andere gassen erbij. Om toestellen toch veilig te laten werken, houdt men twee waarden binnen vaste grenzen: de calorische waarde en de Wobbe-index (zie 7.3). Huishoudens krijgen laagcalorisch gas dat lijkt op Gronings aardgas: G-gas.
In boeken en installatievoorschriften zie je verschillende codes. Drie van de vier zijn aardgas:
Aardgas, laagcalorisch: het bekende Gronings aardgas
Aardgas; het gas van toestelcategorie K in nieuwe installatievoorschriften
Hoogcalorisch aardgas; het toestel moet in categorie E staan
Vloeibaar gas (derde gasfamilie)
Oudere boeken spreken van G25 (L-gas), nieuwe installatievoorschriften van G25.3 (K-gas). Beide gaan over het aardgas dat bij de meeste klanten uit de leiding komt. In de tabellen van de fabrikant staan ze wel apart: een fabrikant kan voor G25 en G25.3 een andere O2-waarde opgeven. Gebruik de waarde voor het gas op het typeplaatje.
Propaan (G31) hoort bij de derde gasfamilie, de vloeibare gassen, net als butaan. Voor propaan geldt:
het werkt op een andere druk: 30 of 50 mbar (zie 7.5);
het toestel moet er speciaal op zijn afgesteld (zie 7.8);
stook je een toestel met een gas dat zwaarder is dan lucht, dan mag de vloer van de opstellingsruimte niet onder het maaiveld liggen (hoofdstuk 4, paragraaf 4.2).
NEN 3028 §6.1.2; Kleintje Gas §2.2.1 en §2.3.3.
Gas stroomt de brander in via een kleine opening: het spuitstuk. Hoeveel energie er door die opening gaat, hangt af van de calorische waarde van het gas en van hoe zwaar het gas is (de relatieve dichtheid d).
De Wobbe-index (W) is een maat voor de energie die via het spuitstuk de brander in gaat. Die energie gaat recht evenredig mee met W.
Voorspel eerst. Het toestel is afgesteld op Gronings aardgas (43,8). Er komt gas uit de E-band door hetzelfde spuitstuk, bij dezelfde druk. Hoeveel energie gaat de brander in?
Kies je voorspelling. Daarna zie je het in de figuur.
Twee gassen met dezelfde Wobbe-index geven door hetzelfde spuitstuk bij dezelfde druk dezelfde hoeveelheid energie.
In de praktijk: krijgt een toestel gas met een hogere Wobbe-index dan waarop het is afgesteld, dan gaat er meer energie de brander in. Bij een lagere Wobbe-index gaat er minder in. Daarom moet het gas ter plaatse passen bij de afstelling op het typeplaatje.
De eerste band is de grens voor het G-gas zelf. De andere twee zeggen voor welk gas een toestel geschikt is. De K-band is breder dan de G-gasband: een K-toestel is geschikt voor G-gas en ook voor G+-gas, tot een Wobbe-index van 45,3 MJ/m3 (zie figuur 7.1). Om op hoogcalorisch gas (categorie E) te branden, moet het opnieuw worden afgesteld of omgebouwd volgens de fabrikant (zie 7.8).
Wobbe-index = calorische waarde gedeeld door de wortel uit de relatieve dichtheid:
Eenheid: MJ/m3, bij 0 °C en 1013,25 mbar.
Rekenvoorbeeld (Gronings aardgas, bovenwaarde): Hs = 35,17 MJ/m3 en d = 0,645. √0,645 = 0,803. Ws = 35,17 / 0,803 = 43,8 MJ/m3. Dat is de Wobbe-index die voor Gronings aardgas wordt opgegeven.
Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.2.1 en §2.2.2.
Figuur 7.1: Kleintje Gas §2.2.2.
Elk toestel met CE-markering heeft een typeplaatje. Daarop staat onder meer:
HR-ketel condenserend
naam en adres fabrikant
de toestelcategorie: voor welk gas het toestel bedoeld is (bijvoorbeeld II2L3P);
Geschikt is nog niet afgesteld (figuur 7.3).
de gasdruk waarop het toestel moet werken;
Aansluitdruk per gas: 2E = hoogcalorisch aardgas, 2K = K-gas, 3P = propaan.
de toesteltypen: hoe je het toestel mag aansluiten (bijvoorbeeld B23P, C13, C33, zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.7 tot en met 1.9);
A, B of C met cijfers: hoe lucht en rookgas lopen.
de belasting (op onderwaarde of bovenwaarde) en het vermogen;
Belasting Qn: de energie die er met het gas in gaat. Hi = op onderwaarde, Qnw = belasting bij warm water maken. Vermogen Pn: de warmte die eruit komt, bij 80/60 °C en bij 50/30 °C.
verder onder meer land van bestemming, serienummer of bouwjaar, aansluitspanning, IP-klasse, maximale waterdruk en NOx-klasse.
PMS = max. waterdruk cv, PMW = max. waterdruk tapwater, D = specifiek debiet, s/n = serienummer.
Ook moet het typeplaatje laten zien waarop het toestel in de fabriek is afgesteld (zie figuur 7.2).
Afgesteld op: het gas en de druk waarop het toestel nu staat. Dat moet kloppen met het gas ter plaatse.
CE-markering met het nummer van de keuringsinstantie. De PIN-code verwijst naar de keuring van het toestel.
Alleen C-typen op het typeplaatje? Wat de letters A, B en C betekenen, staat in hoofdstuk 1, paragraaf 1.7. Je sluit het toestel alleen aan op een manier die op het typeplaatje staat. Staan er alleen C-typen, dan mag het toestel niet open worden aangesloten (als type B, met lucht uit de opstellingsruimte). Staat er ook een B-type, zoals B23P, dan mag dat wel, volgens het installatievoorschrift.
BRL 6000-25 §5.2.2; Kleintje Gas §2.3.1, §2.3.2 en §2.3.3.
Figuur 7.2: Kleintje Gas §2.3.1.
Neem als voorbeeld II2L3P (zie figuur 7.3):
Het Romeinse cijfer (I, II, III) = voor hoeveel gasfamilies het toestel geschikt is.
Dan de families met een gewoon cijfer: 1 = stadsgassen, 2 = aardgassen, 3 = vloeibare gassen zoals butaan en propaan.
Een letter erachter = welke groep binnen die familie. L = laagcalorisch, E = hoogcalorisch aardgas, K = categorie K (ruimere band voor G-gas), P = propaan.
Sinds 1 januari 2018 moeten nieuwe toestellen een grotere bandbreedte in gassamenstelling aankunnen. Daarvoor gebruikt men de aanduiding I2EK.
II2L3P betekent niet dat het toestel zonder meer op beide gassen kan branden. Het is geschikt voor beide, maar staat op een van de twee afgesteld. Voor het andere gas moet je het ombouwen volgens de instructies van de fabrikant.
Na het ombouwen hoort er altijd een sticker dicht bij het typeplaatje, met het gas waarop het toestel nu is afgesteld.
Lees de toestelcategorie: voor welke gassen is het toestel geschikt?
Lees waarop het is afgesteld (typeplaatje, of sticker van een eerdere ombouw).
Vergelijk dat met het gas dat ter plaatse geleverd wordt. Klopt het niet? Dan stel je het toestel niet in bedrijf.
Lees de aansluitdruk af en vergelijk die met je meting (zie 7.5).
Figuur 7.3: Getekend naar Kleintje Gas afb. 2.15 en §2.3.3.
De drie drukken in de woning (werkdruk, voordruk en sluitdruk) en hoe je ze meet, staan in hoofdstuk 8, paragraaf 8.3. Voor het in bedrijf stellen moet je deze grenzen kennen:
De nominale werkdruk is voor aardgas 25 mbar (of 100 mbar bij installaties op hogere druk), voor butaan en propaan 30 of 50 mbar. Op het typeplaatje of in het installatievoorschrift staat welke aansluitdruk bij welk gas hoort. Een voorbeeld (zie ook figuur 7.2):
Je kijkt alleen naar de regel van het gas dat ter plaatse uit de leiding komt. In een woning met G-gas is dat de regel van K-gas: 25 mbar, en de voordruk moet tussen 20 en 30 mbar liggen. De 20 mbar van G20 geldt alleen voor een toestel dat op hoogcalorisch gas werkt. Staat het gas ter plaatse niet op het typeplaatje, of is het toestel op een ander gas afgesteld, dan stel je het niet in bedrijf.
Voor je het toestel aanzet, controleer je de voordruk op de meetnippel van het gasregelblok. Daarna meet je hem opnieuw terwijl het toestel op vollast brandt (dynamisch), zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.
Sorteer vier metingen (aardgas, vollast). Tik een meting en dan het vak waar hij hoort.
Tik eerst een meting.
Klopt hij niet, zoek dan de oorzaak en verhelp die. Lukt dat niet, dan schrijft een fabrikant voor: blokkeer het toestel aan de gaskant en neem contact op met het gasbedrijf.
NEN 8078 §3.21; BRL 6000-25 bijlage 4; Kleintje Gas §1.2.2.
Eerst zoek je iets op het plaatje. Daarna krijg je het gas ter plaatse en je meting erbij: wat doe je?
Luchtovermaat en het ontstaan van CO bij luchttekort ken je uit hoofdstuk 1, paragraaf 1.3. Te weinig lucht geeft CO; te veel lucht geeft een lager rendement (hoofdstuk 8, paragraaf 8.5). De luchtfactor van moderne HR-toestellen ligt meestal tussen ongeveer 1,2 en 1,3.
Wat je rookgasmeter laat zien:
1,25: luchtovermaat, binnen 1,2 tot 1,3.
meer O2 in het rookgas = hogere luchtfactor (meer lucht);
meer CO2 in het rookgas = lagere luchtfactor (minder lucht);
bij Gronings aardgas is de CO2 hooguit 11,7% (bij precies genoeg lucht). Door de luchtovermaat ligt hij altijd lager.
Verandert de samenstelling van het gas, dan verandert ook die maximale CO2. Daarom is O2 meten betrouwbaarder. De formules voor de luchtfactor, rekenvoorbeelden en de instelling van je meter op de juiste gassoort staan in hoofdstuk 8, paragraaf 8.5 en 8.7.
Volgens de BRL stel je de branderdruk en de gas-luchtverhouding in volgens de voorschriften van de fabrikant. Ook de meting van rookgas en gas-luchtverhouding doe je zoals de fabrikant voorschrijft, en het toestel moet aan zijn eisen voldoen. De waarde op je meetinstrument is leidend.
Voorbeelden uit installatievoorschriften:
Vollast en laaglast. Je zet het toestel in een servicestand op vollast en daarna op laaglast, en vergelijkt O2 of CO2 met de tabel van de fabrikant.
Wat mag je bijstellen? Bij het ene toestel mag je een afwijking alleen op laaglast bijstellen met het gasregelblok. Wijkt het op vollast af, dan draai je niet aan het gasblok, maar controleer je het toestel op gasdichtheid en op de juiste onderdelen, zoals de gasdoseerring en de ventilator. Een ander toestel heeft juist een stelschroef voor vollast en een voor laaglast. Kijk dus altijd in het voorschrift.
Drukmeting. Sommige toestellen hebben een meetnippel voor de gas-luchtverhouding. In een voorbeeld hoort daar op laaglast -5 Pa ± 3 Pa.
Mantel open. In de voorbeelden meet je met het voorpaneel open, omdat de tabelwaarden daarvoor gelden.
Meet pas als het toestel stabiel brandt: na minimaal 5 minuten vollast, of zoals de fabrikant voorschrijft (zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.6).
Geeft de fabrikant een CO-grens, dan geldt die. In de voorbeelden is dat maximaal 160 ppm bij de ene fabrikant en minder dan 250 ppm bij de twee andere. Geeft hij die niet, dan geldt de BRL: maximaal 50 ppm bij een type A, 200 ppm bij een type B en 400 ppm bij een type C. Ligt de CO hoger, dan stel je het toestel niet in bedrijf. De rookgasmeting zelf staat in hoofdstuk 8, paragraaf 8.6.
Welke grens geldt hier? Kies hierboven: mag branden of niet in bedrijf.
BRL 6000-25 §5.2.5 en §5.2.9; Kleintje Gas §2.2.4, §2.2.6, §2.2.8 en §8.6.7.
Je installeert een gastoestel volgens het Bbl en de installatievoorschriften van de fabrikant, en je controleert de werking ook volgens de fabrikant. Gebruik altijd de handleiding die bij dit toestel hoort.
Eerste inbedrijfstelling: controleer of alles volgens de tekening is gemonteerd met de juiste onderdelen, beproef de gasleiding op lekdichtheid (hoofdstuk 8, paragraaf 8.3), schakel in, controleer de werking volgens de fabrikant en lever op (7.9).
Na onderhoud, reparatie of uitbreiding: controleer de montage, test een gasaansluiting die los is geweest of een uitgebreide leiding op lekkage (hoofdstuk 8, paragraaf 8.3), schakel in en controleer de werking.
Bij jouw toestel kan de volgorde iets anders zijn (zie figuur 7.4).
Gassoort: komt het gas ter plaatse overeen met het typeplaatje? Zo niet: niet in bedrijf stellen.
Nee? Eerst omstellen (figuur 7.5).
Ventilatie van de opstellingsruimte in orde (zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.8)?
Rookgasafvoer en luchttoevoer goed aangesloten en dicht (zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.9)?
Water: vul de installatie tot de waterdruk uit het voorschrift en ontlucht toestel en radiatoren.
Elektra: aansluitingen, aarding en thermostaat.
Open de hoofdgaskraan en de gaskraan bij het toestel.
Ontlucht de gasleiding via de meetnippel voor de voordruk op het gasregelblok en draai hem weer dicht.
Vul de sifon met water (zie hieronder).
Zet het toestel aan en laat het opstoken. Meet de voordruk opnieuw op vollast. Controleer dan gas-luchtverhouding en CO op vollast en laaglast (zie 7.6).
CO boven de grens? Niet in bedrijf stellen, eerst de oorzaak oplossen.
Controleer de werking van verwarming en warm water.
Haal de meetsonde weg en draai de dop weer op het rookgasmeetpunt.
Verzegel het gasregelblok als je eraan hebt gesteld.
Controleer de aansluitingen van rookgasafvoer en luchtinlaat op dichtheid.
Ontlucht de installatie na het afkoelen nog eens en vul zo nodig bij.
Draag het toestel over (zie 7.9).
Het condenswater van een HR-toestel loopt weg via de toestelsifon. Het water daarin houdt rookgas tegen; een tweede sifon na een onderbreking houdt rioolgas tegen. Is de toestelsifon leeg, dan komt er rookgas in de opstellingsruimte. Daarom:
vul de toestelsifon voor de inbedrijfstelling helemaal met water, en vul ook de sifon in de rioolleiding;
vul hem zoals de fabrikant voorschrijft. Een fabrikant laat bijvoorbeeld vullen via de aansluiting van de rookgasafvoer, omdat je anders elektrische delen nat kunt maken.
Een HR-toestel zonder werkende sifon stel je niet in bedrijf. Rookgas kan dan via de condensafvoer de ruimte in komen.
BRL 6000-25 §5.2, §5.2.2 en bijlage 3; Kleintje Gas §4.2.3, §8.1.4 en §8.1.5.
Figuur 7.4: BRL 6000-25 §5.2.9; Kleintje Gas §8.1.4 en §8.1.5.
Soms moet een toestel op een ander gas branden: van aardgas naar propaan, of van G-gas naar hoogcalorisch gas (categorie E). Het toestel is daar misschien wel geschikt voor (zie de toestelcategorie), maar het staat er nog niet op afgesteld.
Werk aan delen die gas voeren, mag alleen een erkend installateur doen. Ombouwen gaat altijd volgens de instructies van de fabrikant, met de ombouwset van de fabrikant.
De gas-luchtregeling is in de fabriek afgesteld op de gassoort van het typeplaatje. Wijkt het gas ter plaatse af, dan mag het toestel zo niet gebruikt worden. Hoe dat gaat, hangt af van het toestel. In installatievoorschriften zie je twee manieren (zie figuur 7.5).
Bij veel moderne toestellen hangt het vermogen samen met het toerental van de ventilator (omwentelingen per minuut). In het servicemenu stel je de toerentallen voor de nieuwe gassoort in. De fabrikant geeft een tabel per gassoort (bijvoorbeeld G20, G25.3 en G31) en per vermogen, ook voor het opstarten.
Bij andere toestellen zit bij het gasregelblok een ring met een nauwkeurige opening. Die bepaalt hoeveel gas er doorgaat: de gasdoseerring, ook wel restrictiering genoemd. Met deze ring stel je een toestel in op een ander gas dan G25, als de fabrikant dat zo voorschrijft.
Voor een ander gas vervang je die ring door een ring uit de ombouwset van de fabrikant: per toesteltype en per gassoort (G25.3, G31, G20) een eigen ringnummer.
Zo gaat het ombouwen in dat voorbeeld:
1Dichtheid: de gaskoppelingen die los zijn geweest (zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.3).
2Gas-luchtverhouding: meten op vollast en laaglast en afstellen op de waarden voor de nieuwe gassoort.
3CO in het rookgas (zie 7.6).
4Rookgasmeter op de nieuwe gassoort zetten (zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.7).
Propaan heeft andere controlewaarden. Voorbeelden uit installatievoorschriften:
CO2 op vollast, toestel 1 (nominaal)
O2 op vollast, toestel 2
Voor jouw toestel gelden de waarden uit het eigen voorschrift.
Leg vast dat het toestel op een ander gas staat, zodat de volgende monteur dat ziet:
op de sticker bij het typeplaatje: de gassoort waarop het toestel nu is afgesteld. Een fabrikant vraagt ook de gasaanvoerdruk en de gewijzigde parameters (zoals ventilatortoerentallen) in te vullen;
in het rapport: dat er een andere gassoort wordt gebruikt en wat je hebt aangepast (bijvoorbeeld "toerentallen G31 ingesteld" of "gasdoseerring voor propaan geplaatst"), met je meetwaarden. Wat je bij elke controle vastlegt, staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.
BRL 6000-25 §5.3; Kleintje Gas §2.3.3.
Figuur 7.5: Kleintje Gas §2.3.3.
Brandt het toestel goed en veilig? Dan draag je het over aan de eigenaar of gebruiker.
Bij een nieuwe installatie krijgt de eigenaar of gebruiker:
de tekeningen van de installatie zoals hij echt is gelegd;
de gebruikshandleidingen en onderhoudsinstructies;
een controlelijst: wat moet er gecontroleerd worden en hoe vaak;
het opleverings- en beproevingsrapport;
eventueel een meterkastkaart met wie je belt bij een storing.
Hoe het opleverings- en beproevingsrapport is opgebouwd, staat in hoofdstuk 5, paragraaf 5.10. Bij het in gebruik stellen staat in het rapport onder meer:
Wat de verantwoordelijke VP na het werk op de sticker invult, staat in hoofdstuk 5, paragraaf 5.10. Het bedrijf meldt de inbedrijfstelling daarna af bij de certificerende instelling.
Leg uit hoe het toestel en de bediening (of thermostaat) werken, en hoe de gebruiker bijvult en ontlucht.
Vertel welk onderhoud de fabrikant voorschrijft en hoe vaak, voor het toestel en voor de rookgasafvoer.
Kijk of de gebruiksaanwijzing van toestel en rookgasafvoer er is. Ontbreekt die, wijs de gebruiker daarop.
BRL 6000-25 §5.2.12, §5.3, §5.3.1, §6.1 en bijlage 3; Kleintje Gas §8.1.1 en §8.1.5.
Loop deze vragen in volgorde af. Is een antwoord "nee", dan stel je het toestel niet in bedrijf zolang dat niet is opgelost. Hoe je elke controle doet, staat in figuur 7.4; hier staan alleen de beslispunten.
Lees het geval. Tik in de ladder de eerste vraag waarop het antwoord nee is. Is alles in orde? Tik Alles ja.
BRL 6000-25 §5.2.9 en §6.1.
Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Lees het typeplaatje, beproef de leiding, sluit aan en regel in. De stof van dit hoofdstuk in vier korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.