Waar het rookgas naar buiten komt, bepaalt of het toestel goed werkt en of de mensen in huis schone lucht krijgen. Een ketel kan perfect zijn afgesteld en toch iemand ziek maken, als het rookgas via een ventilatierooster weer naar binnen wordt gezogen. Daarom kijk je bij elke uitmonding naar drie dingen:
werkt de afvoer goed,
wordt het rookgas genoeg verdund voor het bij een luchtinlaat komt,
en hebben de buren er geen last van.
Scroll om te beginnen
Doelen6 doelen
Na dit hoofdstuk kun je:
beoordelen of een uitmonding op de goede plek zit, per type toestel (B11, B22/B23, type C);
de plek van een luchttoevoeropening controleren;
de verdunningsfactor f uitrekenen met de formule uit NEN 2757-1 en NPR 3378-60, en zeggen of hij voldoet;
uitleggen wat er met f gebeurt als de afstand, het hoogteverschil of de belasting verandert;
de afstanden tot de perceelgrens, buitenruimten, balkons en galerijen controleren;
een uitmonding op de werkplek stap voor stap beoordelen en zeggen wanneer je afkeurt.
De kern is 6.7 en 6.8: met een rekenmachine reken je de verdunningsfactor zelf door.
6.1 Drie vragen
Drie vragen bij elke uitmonding
De uitmonding is het eind van de rookgasafvoer: de plek waar het rookgas de buitenlucht in gaat. Bij de keuze van die plek stel je jezelf drie vragen.
Schets De nummers horen bij de drie vragen.
1
Goede werking. Kan het rookgas er altijd uit, ook bij harde wind? Wind geeft rond een gebouw overdruk en onderdruk. Op een slechte plek kan rookgas terugslaan naar binnen.
2
Verdunning. Is het rookgas genoeg met buitenlucht gemengd voordat het bij een toevoeropening voor verse lucht op het eigen perceel komt? Dat reken je uit met de verdunningsfactor f.
3
Hinder. Hebben buren of mensen in een tuin, op een balkon of op een galerij er last van? Denk aan rookgas bij een raam, een condenspluim of ijsvorming.
Bron
NPR 3378-60 §4 en §8.1; Kleintje Gas §5.1.
Welke regels gelden er?
Volgens de BRL 6000-25 plaats je de rookgasafvoer volgens het Bbl (de wet) en de installatievoorschriften van de fabrikanten; met de NPR 3378-60, de NPR 3378 sectie uitmondingen, voldoe je daaraan (zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.1). De rekenmethode voor de verdunning staat in NEN 2757-1; de NPR legt die methode uit voor de praktijk.
De verdunningseis staat in het Bbl in artikel 4.138. Hij geldt voor rookgasafvoeren die nieuw worden aangelegd of worden gewijzigd. Pas je bij een ketelvervanging de afvoer aan, dan toets je de uitmonding dus opnieuw.
Bron
NPR 3378-60 §8.1; BRL 6000-25 §5.2.3 en §5.2.10.
6.2 Basisregels
Goede werking: de basisregels
Drie regels gelden voor elk type toestel:
Tik op een ander toestel en kijk naar de uitmonding in de gevel.
Schets Minstens 0,3 m erboven, en de gevel alleen voor sommige toestellen.
0,3 m boven dak of maaiveld. Elke uitmonding van rookgas, en ook elke inlaat van verbrandingslucht, zit minstens 0,3 m boven dakvlak of maaiveld (de grond). Dan kunnen sneeuw, vuil of regenwater op een plat dak de opening niet dichtzetten. Deze regel geldt ook voor elk type hieronder.
Uitmonden in de gevel mag alleen bij gesloten gastoestellen (type C, met of zonder ventilator) en bij open gastoestellen met ventilator (B22, B23). Een B11 met natuurlijke trek mondt nooit uit in de gevel.
Geen terugstroming. De uitmonding zit in een gebied waar het rookgas niet terug kan stromen. Het risico is groter:
aan de kust (meer wind)
bij gebouwen ernaast
bij opgaande gevels
bij schuine daken
bij toestellen met natuurlijke afvoer
Bron
NEN 2757-1 §6.1; NPR 3378-60 §5.3.3 en §6.1.2; Kleintje Gas §5.1.
6.3 Type B
Open toestellen (type B): de uitmondingsgebieden
Vijf gebieden boven het dak
Rond een dak verschilt de winddruk per plek. Daarom is de ruimte boven het dak verdeeld in vijf uitmondingsgebieden, genummerd met Romeinse cijfers van I tot V (zie figuur 6.1 en 6.2). Welk gebied het is, hangt af van de dakvorm en van gebouwen in de buurt.
II: 0 PaIIIIII: 25 Pa (kust 40 Pa)hmin = 0,5 m bij laagbouw in het binnenland
Figuur 6.1 Uitmondingsgebieden zonder gebouwen in de buurt: a. plat dak, b. schuin dak flauwer dan 23°, c. schuin dak van 23° of steiler. Gebied I is vrij (0 Pa), in gebied III staat overdruk.
Zo lees je figuur 6.1. Gebied III (oranje) ligt als een deken over het dak. Bij een plat of flauw dak is die deken 0,5 m dik: een uitmonding die hoger uitkomt, zit in gebied I.
Bij een steil dak is alleen een trechter boven de nok vrij. De onderkant van die trechter ligt hmin boven de nok en loopt 0,8 m naar links en rechts van de nok. Daarbuiten waaieren de randen schuin omhoog uit. Een afvoer die verder dan 0,8 m van de nok door het dak komt, moet dus veel hoger zijn om nog in gebied I uit te komen.
Bron
Figuur 6.1: Getekend naar NPR 3378-60 §5.1.2, figuur 1; ook in Kleintje Gas afb. 5.4.
Bij elk gebied hoort een overdruk die de afvoer moet kunnen overwinnen. De overdruk per gebied staat in de tabel bij figuur 6.2.
Figuur 6.2 Uitmondingsgebieden met een hoog gebouw in de buurt (bij c: een laag bouwdeel tegen een hoger gebouw). De gestippelde lijn loopt onder 10° vanaf de bovenkant van het hoge gebouw.
Gebied
Wanneer
Overdruk binnenland
Overdruk kustgebied
I
geen belemmering door eigen of ander gebouw
0 Pa
0 Pa
II
geen belemmering door eigen gebouw, wel door een gebouw op 15 m of verder
0 Pa (B11 alleen met kap)
0 Pa (B11 alleen met kap)
III
belemmering door de eigen woning
25 Pa
40 Pa
IV
belemmering door eigen gebouw en door ander gebouw binnen 15 m
37 Pa
60 Pa
V
geen belemmering door eigen gebouw, wel door ander gebouw binnen 15 m
12 Pa
20 Pa
Gebied I en II heten de vrije uitmondingsgebieden. Daar is de tegendruk door wind zo klein mogelijk. Let op: nieuwbouw in de buurt, vooral hoogbouw, kan een uitmonding die vroeger goed zat, ongeschikt maken.
Bron
NEN 2757-1 bijlage A; NPR 3378-60 §5.1.2, §5.2.3 en tabel 1; Kleintje Gas §5.2.1 en §5.2.2.
Figuur 6.2: Getekend naar NPR 3378-60 §5.1.2, figuur 2 en de overdrukken uit dezelfde paragraaf; ook in Kleintje Gas afb. 5.5 en 5.6.
Is het buurgebouw belemmerend?
Een hoog en breed gebouw vlak naast de uitmonding kan de afvoer verstoren. Een slank gebouw meestal niet. Om dat te bepalen trek je vanaf de uitmonding lijnen onder 15 graden naar links en rechts en 10 graden schuin omhoog. Zit er over de hele breedte van dat vlak een deel van het buurgebouw boven, dan is het belemmerend. Voor natuurlijke afvoer geldt dan:
Afstand tot het hoge gebouw18 m
5 m25 m
Sleep
Schets Schuif het gebouw: de regel die dan geldt, licht hieronder op.
gebouw niet belemmerend: natuurlijke afvoer mag, zonder kap;
belemmerend en verder dan 15 m weg: natuurlijke afvoer mag, maar alleen met een stabiliserende kap (een kap die de trek stabiel houdt en tegendruk door wind beperkt);
belemmerend en dichter dan 15 m: natuurlijke afvoer mag niet. Ook niet met een kap.
Deze gebieden gelden voor laagbouw: gebouwen lager dan 16 m. Bij hogere gebouwen wervelt de wind sterker. Voor een type B-toestel boven het platte dak van zo'n gebouw lees je de uitmondingshoogte af in NPR 3378-60, paragraaf 5.4.
Let op
het Bbl kijkt bij de stromingsrichting niet naar gebouwen op een ander perceel. Maar de wind trekt zich niets aan van perceelgrenzen. Houd dus wel rekening met hoge gebouwen van de buren.
Bron
NPR 3378-60 §5.1.1, §5.1.3 en §5.4.
B11: open toestel met trekonderbreker en natuurlijke afvoer
Een B11 heeft geen ventilator: het rookgas gaat alleen door de trek naar buiten (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.8). Daarom gelden strenge regels:
Afstand doorvoer tot de nok (a)1,5 m
0 m2,5 m
Sleep
Schuif de doorvoer naar de nok en weer weg.
Schets Steil dak van 30°, binnenland: hoe hoog moet de B11-afvoer?
De uitmonding zit bovendaks en alleen in gebied I of II. In gebied II alleen met een stabiliserende kap.
De uitmonding zit minstens 0,5 m boven het dakvlak (bij een schuin dak de kortste verticale lengte). Bij een plat of flauw dak (minder dan 23 graden) is dat genoeg.
Dak van 23 graden of steiler en de doorvoer zit binnen 0,8 m van de nok: de uitmonding komt minstens 0,5 m boven de nok uit.
Dak van 23 graden of steiler en de doorvoer zit verder dan 0,8 m van de nok: de afvoer moet veel hoger (zie het kader). Kies bij een B11 dus liefst een doorvoer vlak bij de nok.
Een dakdoorvoer zet je bij voorkeur minstens 0,5 m van de dakrand.
Naslag: hoogte bij een steil dak, verder dan 0,8 m van de nok.
h ≥ [hmin + 0,16 x (α - 23)] x a, met α = dakhelling in graden, a = horizontale afstand van het hart van de uitmonding tot de nok in m, hmin = 0,5 m (laagbouw binnenland) of 1 m (laagbouw kust); h is altijd minstens 0,5 m. Een rekenvoorbeeld (30 graden, binnenland) staat onder de schets.
Bron
NPR 3378-60 §5.2.1 t/m §5.2.3; Kleintje Gas §5.2.2 en §5.2.3.
B22 en B23: open toestel met ventilator
Een B22 of B23 heeft een ventilator en geen trekonderbreker (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.8). Zo'n toestel mag altijd in gebied I en II uitmonden. Het mag ook in gebied III, IV en V, als de ventilator de overdruk van dat gebied aankan. Of dat zo is, lees je in het installatievoorschrift van de fabrikant. Daarbij tellen ook de weerstand van de afvoer en de luchttoevoer mee, en een eventuele onderdruk in de opstellingsruimte door mechanische afzuiging.
Schets Afstand tot de randen: groen is de plek waar de uitmonding mag. Voor type C, zie paragraaf 6.4.
Afstanden bij B22 en B23:
een uitmonding boven het dak minstens 1 m van dakranden (de nok telt niet mee);
een uitmonding in de gevel minstens 1 m van de gevelrand, dakrand of dakoverstek, en van een galerij, tenzij de afvoer doorloopt tot minstens de voorkant van dat overstekende deel.
Voor de plek van de luchttoevoer van een B22/B23, zie paragraaf 6.5.
Bron
NPR 3378-60 §5.3.1 t/m §5.3.3; Kleintje Gas §5.2.4.
6.4 Type C
Gesloten toestellen (type C)
Een gesloten toestel (type C) staat los van de lucht in de ruimte (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.6). Bijna elke plek in dak of gevel is dan mogelijk. Grenzen komen van de verdunning, de afstand tot de perceelgrens en de bouw van het toestel.
De fabrikant bepaalt waar het toestel mag uitmonden. Dat zie je aan de typeaanduiding in het installatievoorschrift (bijvoorbeeld C13, C33; de cijfers staan in hoofdstuk 1, paragraaf 1.9). Kijk naar de letter en het eerste cijfer:
In het dak
C3, C5 en C6 kunnen in het dak uitmonden;
C3C5C6
In de gevel
C1 en C6 kunnen in de gevel uitmonden.
C1C6
Een gesloten toestel mondt dus alleen in de gevel uit als de typeaanduiding en het installatievoorschrift dat toestaan.
Afstandsregels voor type C:
uitmonding boven het dak minstens 0,5 m van dakranden (de nok telt niet mee);
uitmonding in de gevel minstens 0,5 m van de gevelrand, dakrand of dakoverstek, en van een galerij tenzij de afvoer doorloopt tot de voorkant;
meer geveldoorvoeren naast elkaar: onderlinge afstand a > 0,5 x √(B/25), minstens 0,5 m. B is de belasting van het grootste toestel. Voorbeeld: grootste toestel 28 kW geeft 0,5 x √(28/25) = 0,53 m;
Belasting grootste toestel (B)28 kW
10 kW70 kW
Sleep
Schuif de belasting en kijk hoe ver de doorvoeren uit elkaar moeten.
Schets Geveldoorvoeren naast elkaar.
dakdoorvoeren naast elkaar (uitmonding even hoog): minstens 0,5 m uit elkaar. In een schuin dak niet onder elkaar, tenzij ze minstens 2 m uit elkaar liggen.
Let bij gevel-uitmondingen ook op ijspegels: bij vorst kan condensaat aanvriezen aan de uitmonding.
Bron
NPR 3378-60 §6.1.1 en §6.1.2; Kleintje Gas §5.3.1 t/m §5.3.4.
6.5 Luchttoevoer
De plek van de luchttoevoeropening
Luchttoevoer voor een open toestel (type B)
Een open toestel haalt zijn verbrandingslucht uit de opstellingsruimte, via een opening van buiten. De regels voor die opening staan in hoofdstuk 4, paragraaf 4.6: onder meer niet afsluitbaar, minstens 0,3 m boven maaiveld of dakvlak en in de gevel minstens 2 m van de perceelgrens (loodrecht gemeten).
Bron
NPR 3378-60 §5.2 en §8.2; Kleintje Gas §3.3.2.
Luchttoevoer bij B22 en B23
Bij een B22 of B23 hangt de plek van de luchttoevoer af van waar de afvoer uitmondt. Tik onder de figuur de regel aan die past:
Figuur 6.3 Luchttoevoer bij een B22/B23. Groen: hier mag de luchttoevoeropening.
Verder geldt voor B22 en B23: de luchttoevoer zit minstens 1,0 m van gevel- of dakrand (nok uitgezonderd) en even hoog of lager dan de uitmonding. Zo blijft het drukverschil tussen toevoer en afvoer klein en hebben windwervelingen zo min mogelijk invloed (zie figuur 6.3).
Bron
NPR 3378-60 §5.3.1 t/m §5.3.3.
Figuur 6.3: Getekend naar NPR 3378-60 §5.3.1, figuur 5.
Gesloten toestel en afmetingen van de openingen
Bij een gesloten toestel horen de luchttoevoer en de afvoer bij het toestel. Voor de plek volg je de typeaanduiding en het installatievoorschrift (paragraaf 6.4). Hoe groot de ventilatieopeningen van de opstellingsruimte moeten zijn, voor type B en type C, lees je in hoofdstuk 4, paragraaf 4.7.
Bron
NEN 3028 §6.5.2.
6.6 Verdunning
Verdunning: waarom het ertoe doet
Rookgas bevat onder meer CO2 en soms CO. Komt het via een ventilatierooster of een ventilatie-unit weer binnen, dan ademen de bewoners het in. Daarom moet het rookgas genoeg met buitenlucht gemengd zijn voordat het bij een toevoeropening komt. De mate van menging druk je uit in de verdunningsfactor f.
ongeveer 10 %Rookgas van een gastoestel
x 0,01: nog ongeveer een honderdste (1 %) over
ongeveer 0,1 %bij de toevoeropening, eis f = 0,01 (1000 ppm)
ongeveer 0,04 %gewone buitenlucht (400 ppm)
Schets Hoeveel CO2 er in de lucht zit.
Onthoud
voor gastoestellen is de eis f = 0,01. De afstand is goed als de berekende f kleiner is dan 0,01. Hoe kleiner f, hoe beter de verdunning. Komt er 0,01 of meer uit, dan zitten uitmonding en toevoeropening te dicht bij elkaar: afkeuren.
Dezelfde eis van 0,01 geldt voor een uitmonding van afgevoerde ventilatielucht (binnenlucht die naar buiten wordt geblazen). Voor toestellen die een andere brandstof dan gas stoken, is de eis strenger: f = 0,0015.
Bron
NPR 3378-60 §9.2; Kleintje Gas §2.2.4, §2.2.8 en §5.4.
Welke openingen tellen mee?
De toevoeropening is een opening waardoor verse lucht naar binnen komt. Dat is:
Schets Groen telt mee, grijs telt niet mee. De nummers staan ook bij de lijsten.
1
een opening voor ventilatielucht (rooster boven het raam, toevoerrooster, aanzuigopening van een ventilatiesysteem);
2
een opening voor verbrandingslucht, maar alleen als die lucht door een verblijfsgebied of verblijfsruimte naar het toestel stroomt. Dat speelt bij open toestellen.
Een verblijfsgebied is het deel van een woning of gebouw waar mensen verblijven, zoals woonkamer en slaapkamers. Een verblijfsruimte is een ruimte binnen dat verblijfsgebied. Bij een woning tellen ook de verse-luchtopeningen van toilet en badkamer mee.
Deze openingen tellen niet mee:
3
ramen en deuren die open kunnen. Het Bbl noemt dat spuivoorzieningen (art. 4.131): je zet ze af en toe open om flink te luchten;
4
de luchttoevoeropening van een gesloten toestel (type C);
5
openingen en afvoeren die niet op het perceel van het gebouw liggen. Daarvoor gelden alleen de minimumafstanden tot de perceelgrens (paragraaf 6.10);
6
de ontluchting van het riool.
Bron
NEN 2757-1 §3.29, §3.33, §3.34 en §8.1; NPR 3378-60 §9.1 en §9.2; Kleintje Gas §5.4.
6.7 Formule
De formule en de getallen
De verdunningsfactor reken je uit met deze formule:
f = √B/(C1 x l + C2 x Δh)
Tik op een rij: het teken licht op in de formule.
TekenBetekenisEenheid
Schets De formule en de betekenis van elk teken.
Met de formule reken je dus niet direct een afstand uit. Je vult de afstanden in die je meet, en kijkt of f klein genoeg is.
Afronden: meet l en Δh in meters en rond ze af op 1 decimaal (2,46 m wordt 2,5 m). Rond f af op 5 decimalen (0,0088192 wordt 0,00882).
De verbindingslijn l is de kortst mogelijke lijn van rand tot rand, gemeten buiten het gebouw om. Zit er een dakrand of een hoek tussen, dan loopt de lijn om die rand heen en niet dwars door de muur.
Liggen uitmonding en toevoer schuin boven elkaar, dan is l de schuine afstand. Die reken je uit met de stelling van Pythagoras:
l = √(horizontale afstand² + Δh²).
Voorbeeld: 4 m horizontaal en 1,2 m hoogteverschil geeft l = 4,2 m (zie figuur 6.4).
Figuur 6.4 De verbindingslijn l en het hoogteverschil Δh: a. uitmonding en rooster in dezelfde gevel, b. afvoer en aanzuigopening op hetzelfde platte dak, c. l loopt buiten het gebouw om.
Bron
NEN 2757-1 §3.32 en §8.2; NPR 3378-60 §9.2 en §9.3.
Figuur 6.4: Getekend naar NPR 3378-60 §9.3, figuur 14 en 16 en NEN 2757-1 §3.32, figuur 1.
De belasting B
B is de nominale belasting op bovenwaarde in kW. Die staat op het typeplaatje of in het installatievoorschrift.
Btot is de grootst mogelijke belasting op een uitmonding. Zitten er meer toestellen op dezelfde uitmonding (bijvoorbeeld een CLV-systeem), dan tel je die op.
Bsom gebruik je als er meer uitmondingen vlak bij elkaar zitten. Dan teken je in gedachten een denkbeeldig uitmondingsgebied: een bol met straal 0,2 x √Btot, minimaal 2 m. Het midden van de bol ligt in het hart van de uitmonding met de grootste belasting. Bsom is de som van de belastingen van alle uitmondingen in die bol. Bij gelijke belastingen kies je het midden zo dat er zoveel mogelijk uitmondingen in de bol vallen. Je meet l dan vanaf de toevoeropening tot de rand van de bol.
Schets Het denkbeeldige uitmondingsgebied uit het voorbeeld. Gestippeld: 1,0 m, te klein. Oranje: de bol van 2 m.
Voorbeeld denkbeeldig uitmondingsgebied. Twee ketels monden 1,2 m naast elkaar uit in de gevel. De grootste heeft 25 kW, de andere 15 kW. Straal: 0,2 x √25 = 0,2 x 5 = 1,0 m. Dat is minder dan 2 m, dus de straal wordt 2 m. De tweede uitmonding ligt binnen 2 m, dus Bsom = 25 + 15 = 40 kW. Met 40 kW reken je de verdunning uit.
Bron
NEN 2757-1 §3.4, §3.5, §3.13 en §8.2; NPR 3378-60 §9.2.
De 50 %-regel voor warmwater- en combitoestellen
Bij een warmwatertoestel met een nominale belasting tot 40 kW (bovenwaarde) mag je rekenen met 50 % van de belasting.
Bij een combiketel (cv en warm water) mag dat ook, als de belasting voor warm water per toestel kleiner is dan 40 kW. Dan vergelijk je twee getallen:
50 % van de tapbelasting (warm water);
de volle cv-belasting.
Cv-belasting18 kW
4 kW30 kW
Sleep
Schuif de cv-belasting onder en boven de 16 kW.
Schets Combiketel met 32 kW tapbelasting (zoals rekenvoorbeeld 2).
Je rekent met het hoogste van de twee. Ligt de cv-belasting boven de helft van de tapbelasting, dan reken je dus met de cv-belasting.
Een andere mogelijkheid: je begrenst de maximale cv-belasting op 50 % van de tapbelasting. Dan komt op het toestel een sticker die zegt dat de maximale cv-belasting in verband met de verdunningsfactor is afgesteld op een bepaald aantal kW.
Bron
NEN 2757-1 §8.2; NPR 3378-60 §9.2.
De situatie bepalen: C1 en C2
Hoe het rookgas zich mengt, hangt af van hoe uitmonding en toevoer ten opzichte van elkaar liggen: in de gevel of in het dak, hoger of lager. Elke modelsituatie heeft een eigen C1 en C2. Er zijn er 17, maar vier kom je het vaakst tegen (figuur 6.5):
Situatie 1Ligging
toevoer in de gevel, afvoer even hoog of hoger in een dakvlak erboven (bijvoorbeeld afvoer bij de nok, rooster in de gevel eronder)
C1 = 163C2 = 325
Situatie 3Ligging
toevoer en afvoer in dezelfde gevel, afvoer even hoog of hoger
C1 = 500C2 = 0
Situatie 4Ligging
toevoer en afvoer in dezelfde gevel, afvoer lager
C1 = 500C2 = -325
Situatie 5Ligging
toevoer en afvoer in een flauw dak of plat dak, afvoer even hoog of hoger
C1 = 80C2 = 80
Figuur 6.5 Vier veelvoorkomende situaties met hun C1 en C2. Oranje pijl: rookgas uit de afvoer. Groene pijl: verse lucht door de toevoer. Muurkleur is binnen.
Een dakvlak is minder dan 75 graden steil; steiler telt als gevel. Flauw is minder dan 23 graden, steil is 23 graden of meer.
Onthoud
past de situatie niet precies bij een van de 17, maak dan een reële inschatting van de situatie die er het meest op lijkt. Twijfel je tussen twee situaties? Kies dan de situatie die de meeste afstand tussen afvoer en toevoer vraagt. Dat is de situatie die de hoogste f oplevert. Reken bij twijfel beide uit en neem de slechtste.
Naslag: de andere 13 situaties (C1 / C2).
2: toevoer in gevel, afvoer lager in een aangrenzend dakvlak, of in een lagere gevel met een dakvlak ertussen: 60 / 60
6: toevoer in dakvlak, afvoer even hoog of hoger in hetzelfde dakvlak of een hoger aangrenzend steil dakvlak: 163 / 325
7: toevoer in steil dakvlak, afvoer lager in hetzelfde of een lager aangrenzend dakvlak: 80 / 80
8: toevoer in een dakvlak of gevel, afvoer in een achtergelegen dakvlak of gevel (aan de andere kant van de nok), minstens 1 dakvlak steil (hoogte maakt niet uit): 163 / 325
9 en 10: toevoer tegenover een verticale afvoer, even hoog of hoger: 163 / 325; lager: 80 / 80
11 en 12: toevoer tegenover een horizontale afvoer, even hoog of hoger: 110 / 325; lager: 163 / 60
13 en 14: toevoer in dakvlak, afvoer in een hogere gevel: 110 / 325; in een lagere gevel (of: toevoer in flauw dak, afvoer in een lager aangrenzend steil dakvlak): 163 / 80
15 en 16: toevoer in gevel, afvoer in een aangrenzende of verspringende gevel (hoek 180 graden of meer), even hoog of hoger: 500 / 0; lager: 500 / -325
17: toevoer in gevel, afvoer in een aangrenzende gevel met een hoek kleiner dan 180 graden (hoogte maakt niet uit): 110 / 325
Situatie 1 geldt ook bij: toevoer in een steil dak, afvoer even hoog of hoger in een hoger aangrenzend flauw dakvlak.
Bron
NEN 2757-1 §3.9, §3.16 en §8.3.1 t/m §8.3.18; NPR 3378-60 §9.3, §9.4, tabel 2 en bijlage A.
Figuur 6.5: Getekend naar NEN 2757-1 §8.3, figuur 6, 8, 9 en 10 en tabel 3; ook in NPR 3378-60 bijlage A.
6.8 Rekenen
Zo reken je de verdunningsfactor uit
Zo doe je het:
1
Zoek alle toevoeropeningen voor verse lucht op het eigen perceel in de buurt van de uitmonding. Sla te openen ramen, deuren en de luchttoevoer van een gesloten toestel over.
2
Bepaal B: de belasting op bovenwaarde van het typeplaatje. Denk aan de 50 %-regel bij warm water en combi, en aan Bsom als er meer uitmondingen dichtbij zitten.
3
Meet Δh en l (kortste lijn buiten het gebouw om). Rond af op 1 decimaal.
4
Bepaal de situatie en zoek C1 en C2 op.
5
Reken uit: eerst √B, dan de noemer C1 x l + C2 x Δh, dan delen. Rond f af op 5 decimalen.
6
Vergelijk met 0,01. Kleiner dan 0,01: voldoet. Anders: voldoet niet.
7
Doe dit voor elke toevoeropening in de buurt. De slechtste telt.
Rekenvoorbeeld 1: rooster schuin onder een gevel-uitmonding
Een gesloten cv-ketel van 28 kW (bovenwaarde) mondt uit in de achtergevel. Schuin eronder zit een raam met een ventilatierooster bovenin: 0,6 m lager en ongeveer 1,0 m opzij. De kortste afstand van rand tot rand is 1,2 m.
Situatie: toevoer in de gevel, afvoer hoger in dezelfde gevel. Dat is situatie 3: C1 = 500, C2 = 0.
√B = √28 = 5,29150
Noemer: 500 x 1,2 + 0 x 0,6 = 600
f = 5,29150 / 600 = 0,00882
0,00882 is kleiner dan 0,01: voldoet.
Stel dat het rooster dichter bij zit, met een kortste afstand van 0,8 m:
Noemer: 500 x 0,8 = 400
f = 5,29150 / 400 = 0,01323
0,01323 is groter dan 0,01: voldoet niet. De uitmonding moet verder van het rooster af. Hoe ver minimaal? In situatie 3 telt alleen l: 5,29150 / (500 x l) = 0,01 geeft l = 1,06 m. Op 1 decimaal moet de kortste afstand hier dus minstens 1,1 m zijn.
Bron
NEN 2757-1 §8.2; NPR 3378-60 §9.2 en bijlage A.
Rekenvoorbeeld 2: combiketel op een plat dak
Een combiketel heeft een tapbelasting van 32 kW en een cv-belasting van 18 kW (beide bovenwaarde). De afvoer komt 1,2 m boven een plat dak uit. Op hetzelfde dak staat de aanzuigopening van de ventilatie-unit, 0,4 m boven het dak. Horizontaal liggen ze 4,5 m uit elkaar.
Stap 1: welke belasting? De tapbelasting is kleiner dan 40 kW, dus de 50 %-regel mag. 50 % van 32 kW = 16 kW. De cv-belasting is 18 kW. Dat is hoger, dus B = 18 kW.
Stap 2: afstanden. Δh = 1,2 - 0,4 = 0,8 m l = √(4,5² + 0,8²) = √(20,25 + 0,64) = √20,89 = 4,57 m, afgerond 4,6 m
Stap 3: situatie. Toevoer in een plat dak, afvoer hoger in hetzelfde platte dak: situatie 5, C1 = 80, C2 = 80.
Stap 4: rekenen. √18 = 4,24264 Noemer: 80 x 4,6 + 80 x 0,8 = 368 + 64 = 432 f = 4,24264 / 432 = 0,00982
0,00982 is kleiner dan 0,01: voldoet (maar net).
Wat als je met de volle tapbelasting rekent? √32 = 5,65685. f = 5,65685 / 432 = 0,01309. Dan zou het niet voldoen. Een paar kW verschil in B kan de uitkomst omdraaien.
Bron
NEN 2757-1 §8.2; NPR 3378-60 §9.2 en bijlage A.
Rekenvoorbeeld 3: uitmonding lager dan het rooster
Een gesloten ketel van 24 kW mondt uit in de gevel. Het ventilatierooster van de slaapkamer zit hoger in dezelfde gevel: 1,5 m hoger en 1,0 m opzij.
Situatie: toevoer in de gevel, afvoer lager in dezelfde gevel. Dat is situatie 4: C1 = 500, C2 = -325.
Δh = 1,5 m
l = √(1,0² + 1,5²) = √3,25 = 1,80 m, afgerond 1,8 m
√24 = 4,89898
Noemer: 500 x 1,8 + (-325) x 1,5 = 900 - 487,5 = 412,5
f = 4,89898 / 412,5 = 0,01188
0,01188 is groter dan 0,01: voldoet niet.
Verplaats je de uitmonding 2,0 m opzij (zelfde hoogte), dan wordt l = √(2,0² + 1,5²) = √6,25 = 2,5 m. Noemer: 500 x 2,5 - 325 x 1,5 = 1250 - 487,5 = 762,5. f = 4,89898 / 762,5 = 0,00642: voldoet.
Bron
NEN 2757-1 §8.2; NPR 3378-60 bijlage A.
Check
Reken zelf
Elke keer een nieuwe situatie. Reken f uit, op 5 decimalen. Na Controleer zie je of het voldoet. Reken eerst zelf; daarna kun je controleren met de rekenmachine hieronder.
6.8 · Rekenmachine
Reken de verdunningsfactor uit
Er staat een eigen situatie klaar: 30 kW, 2,0 m opzij, 1,0 m hoogteverschil, situatie 1. Verander wat je wilt, of neem een rekenvoorbeeld over. Elke stap rekent direct mee.
Rekenvoorbeeld
1Belasting B
2Afstanden
Opzij (horizontaal)1,0 m
l, kortste afstand1,2 m
Δh, hoogteverschil0,6 m
3Situatie
Uitkomst
0eis 0,010,02
4Rekenen
6.9 Gevoel voor f
Wat gebeurt er met f als je iets verandert?
In de formule staat de belasting boven de streep en staan de afstanden eronder. Een kleine f is goed.
Hoogteverschil Δh1,5 m
0 m3 m
Sleep
Schets 24 kW en 1,0 m opzij, zoals rekenvoorbeeld 3; l met Pythagoras.
Grotere afstand l: de noemer wordt groter, dus f wordt kleiner (beter).
Situatie 3, rekenvoorbeeld 11,2 m: f = 0,008822,4 m (twee keer zo ver): f = 0,00441, twee keer zo klein
Uitmonding hoger dan de toevoer: C2 is positief (bijvoorbeeld 325 in situatie 1, 80 in situatie 5), dus meer hoogteverschil maakt f kleiner (beter): een uitmonding hoog boven het dak of op het hoogste punt van het gebouw is gunstig (lijn 1).
Situatie 3 en 15: C2 = 0, dus het hoogteverschil telt alleen mee via de schuine afstand l (lijn 3).
Uitmonding lager dan de toevoer (situatie 4 en 16): C2 is negatief (-325), trekt de noemer omlaag en werkt tegen je; f wordt alleen kleiner doordat de schuine afstand l groeit, en veel minder dan bij een positieve C2 (lijn 4, met de getallen van rekenvoorbeeld 3).
Grotere belasting B: f wordt groter (slechter), maar door de wortel minder hard dan je denkt: vier keer zoveel kW geeft twee keer zo'n grote f.
Onthoud
verder weg is beter, en hoger is beter zolang de uitmonding boven de toevoer zit. Zit de uitmonding onder de toevoer, dan werkt het hoogteverschil tegen je.
Bron
NEN 2757-1 §8.2; NPR 3378-60 tabel 2; Kleintje Gas §5.4 en §5.5.1.
6.10 Hinder
Hinder voor buren en buitenruimten
Welk perceel?
Voor de regels over de plek van openingen is het perceel het stuk grond waarop het gebouw staat. Een flat staat met al zijn woningen op 1 perceel. Kijk voor de verdunning dus ook naar de woningen boven, onder en naast de woning waar je werkt. Rijwoningen staan elk op een eigen perceel, ook als ze van dezelfde eigenaar zijn. Daar kijk je voor de verdunning alleen naar de eigen woning; voor de buren gelden de minimumafstanden tot de perceelgrens.
Schets Groen telt mee voor de verdunning. Gestippeld is de perceelgrens.
Bron
NPR 3378-60 §3.75; Kleintje Gas §5.1.
Afstand tot de perceelgrens
Voor openingen in de gevel (niet in het dak) geldt (zie figuur 6.6):
Een rookgasuitmonding en een inlaat voor verbrandingslucht zitten minstens 2 m van de perceelgrens, loodrecht op de gevel gemeten.
Een rookgasuitmonding zit minstens 1 m van de perceelgrens, langs de gevel gemeten.
Ligt naast het perceel een openbare weg, openbaar groen of openbaar water, dan meet je tot het hart (het midden) daarvan.
Voor openingen in het dak gelden deze afstanden niet.
Uitmonding gevel A, langs de gevel0,7 m
0,2 m1,9 m
Sleep
Schuif de uitmonding langs de gevel.
1 m: langs de gevel gemeten. 2 m: loodrecht op de gevel gemeten.
Figuur 6.6 Afstand tot de perceelgrens: minstens 1 m langs de gevel gemeten, minstens 2 m loodrecht op de gevel gemeten.
Voorbeeld: een rijtjeswoning. De ketel mondt uit in de achtergevel, 0,7 m van de muur met de buren. Langs de gevel gemeten is dat minder dan 1 m: niet toegestaan. De uitmonding moet minstens 1 m van de erfgrens af.
Bron
NEN 2757-1 §6.2.2; NPR 3378-60 §8.2; Kleintje Gas §5.1.
Figuur 6.6: Getekend naar NPR 3378-60 §8.2, figuur 10; ook in Kleintje Gas afb. 5.3.
Afstand tot buitenruimten
Een buitenruimte is een plek buiten waar mensen verblijven: een tuin, terras, dakterras, balkon of loggia. Een eigen buitenruimte is minstens 4 m². Een galerij telt niet als buitenruimte. Het is een verkeersruimte: mensen lopen er alleen langs.
De regel:
Zit de uitmonding horizontaal dichter dan 0,2 x √B bij de buitenruimte, dan zit hij minstens 2 m boven de vloer van die buitenruimte.
Zit hij verder weg, dan minstens 1 m boven die vloer.
Is de gezamenlijke belasting op de uitmonding groter dan 130 kW (bijvoorbeeld een CLV-uitmonding of verzamelkap), dan minstens 1,5 m.
Horizontaal tot het terras0,6 m
0 m2,5 m
Sleep
Schuif de uitmonding van het terras af.
Schets Ketel van 25 kW naast een terras.
Voorbeeld: een ketel van 25 kW. 0,2 x √25 = 0,2 x 5 = 1,0 m. Zit de uitmonding binnen 1,0 m van het terras, dan moet hij minstens 2 m boven de terrasvloer zitten.
Bron
NEN 2757-1 §3.6 en §6.2.1; NPR 3378-60 §3.12 en §8.3; Kleintje Gas §5.5.4.
Balkons, loggia's en galerijen
Balkon en loggia: een uitmonding die onder een balkon of een inpandige loggia doorloopt tot de voorkant, of nog verder, mag niet meer. Hij haalt de afstandseis tot de buitenruimte niet. Alleen bij ketelvervanging in een bestaande situatie kan het rechtens verkregen niveau gelden (wat vroeger legaal is gebouwd).
Galerij, lange variant: een uitmonding die doorloopt tot de voorkant van de galerij mag wel, want een galerij is een verkeersruimte.
Galerij, korte variant (de uitmonding stopt bij de gevel, bijvoorbeeld bij een gevelkachel): minstens 2 m tussen de uitmonding en de galerij erboven.
Voor een uitmonding in de gevel onder een uitstekend balkon of een uitstekende galerij, of in een loggia dieper dan 0,5 m, geldt ook een rekenregel: de afstand tot de onderkant van het balkon of de galerij (of de bovenkant van de loggia) is minstens 0,6 x √B, met een minimum van 2 m.
Let bij galerijen extra op ijsvorming: druppelend condensaat kan op de vloer bevriezen en er kunnen ijspegels aan de uitmonding hangen. En vergeet de verdunning niet: een uitmonding onder een galerij met een rooster erboven is vaak situatie 4.
Bron
NEN 2757-1 §6.2.3; NPR 3378-60 §8.3 en §8.4; Kleintje Gas §5.5.2 en §5.5.3.
Hinder over de perceelgrens
Het Bbl regelt voor de buren alleen minimumafstanden. Daarmee voorkom je niet dat buren condens, een pluim, geur of fijnstof merken. Bewoners storen zich zelden aan hun eigen ketel, maar rookgas van de buurman vinden ze vaak wel vervelend. Houd daarom rekening met ramen, roosters en buitenruimten van de buren, ook al is het geen harde eis.
Schets Waar waait de pluim heen?
De beste menging en de minste kans op hinder krijg je met een uitmonding op het hoogste punt van het gebouw of in het hoogste dak. Voor visuele hinder door de pluim zijn geen objectieve normen.
Bron
NEN 2757-1 §6.1 en §8.1; NPR 3378-60 §8.1; Kleintje Gas §5.5.1.
6.11 Werkplek
Zo beoordeel je een uitmonding op de werkplek
Bij een nieuwe ketel, een ketelvervanging of een aangepaste afvoer loop je deze stappen af.
Zo doe je het:
1
Welk toestel? Kijk op het typeplaatje of in het voorschrift: B11, B22/B23 of type C (met de typeaanduiding). Noteer de belasting op bovenwaarde.
2
Mag het hier uitmonden? B11: alleen bovendaks in gebied I of II, op de juiste hoogte. B22/B23: gebied III tot en met V alleen als de fabrikant dat toestaat. Type C: alleen in dak of gevel als de typeaanduiding dat toelaat. (zie paragraaf 6.3 en 6.4)
3
Hoogte en randen. Minstens 0,3 m boven dak of maaiveld. Afstand tot dakranden, gevelranden en overstekken: 1 m bij B22/B23, 0,5 m bij type C. (zie paragraaf 6.2, 6.3 en 6.4)
4
Luchttoevoer. Zit hij goed ten opzichte van de uitmonding? (zie paragraaf 6.5)
5
Perceelgrens. Bij een gevel-uitmonding: 2 m loodrecht en 1 m langszij. (zie paragraaf 6.10)
6
Buitenruimten, balkons, galerijen. Controleer de hoogte boven de vloer van de buitenruimte: 2 m als de uitmonding horizontaal dichter dan 0,2 x √B zit, anders 1 m, en 1,5 m bij meer dan 130 kW. Controleer ook de regels bij balkon en galerij. (zie paragraaf 6.10)
7
Verdunning. Zoek alle toevoeropeningen voor verse lucht op het eigen perceel (in een flat ook bij de buren). Reken f uit voor de kritiekste opening. (zie paragraaf 6.8)
8
Buren. Komt er rookgas bij ramen of tuinen van de buren, of staat er een hoog gebouw vlakbij? Adviseer dan een betere plek. (zie paragraaf 6.10)
Let op
gaat het mis bij stap 2 (een B11 buiten gebied I of II), 5, 6 of 7, dan keur je af en pas je de uitmonding aan. Onder een balkon doorlopen mag alleen bij rechtens verkregen niveau. Controleer bij een ketelvervanging altijd of de uitmondingsplaats nog voldoet.
Vijf situaties van de werkplek. Kies eerst zelf, dan zie je waarom.
Einde hoofdstuk 6
Kort samengevat
Werking en plek
Elke uitmonding toets je op drie dingen: goede werking, verdunning en hinder.
Uitmonding en luchtinlaat zitten minstens 0,3 m boven dak of maaiveld. In de gevel uitmonden mag alleen met een gesloten toestel of een open toestel met ventilator.
Type B en afstanden
B11: alleen bovendaks in gebied I of II (in II met kap), minstens 0,5 m boven het dak; steil dak en verder dan 0,8 m van de nok: veel hoger (zie het naslagkader in paragraaf 6.3). B22/B23 mag ook in gebied III tot en met V als de ventilator het aankan.
Gevel-uitmonding: minstens 2 m loodrecht en 1 m langszij van de perceelgrens. Bij een buitenruimte binnen 0,2 x √B: minstens 2 m boven de vloer, anders 1 m. Niet doorlopen onder een balkon; bij een galerij mag dat wel.
De formule
Verdunningsfactor: f = √B / (C1 x l + C2 x Δh). l en Δh afronden op 1 decimaal, f op 5 decimalen. Voor gas moet f kleiner zijn dan 0,01.
B is de belasting op bovenwaarde. Combi en warmwatertoestel tot 40 kW: het hoogste van 50 % van de tapbelasting en de volle cv-belasting. Meer uitmondingen dichtbij: Bsom binnen een bol van 0,2 x √Btot, minimaal 2 m.
Wat telt, wat helpt
Te openen ramen en deuren, de luchttoevoer van een gesloten toestel en openingen op een ander perceel tellen niet mee voor de verdunning.
Verder weg en hoger maakt f kleiner. Zit de uitmonding lager dan de toevoer (situatie 4), dan werkt het hoogteverschil tegen je. Twijfel over de situatie: kies de kritiekste.
Hoofdstuk 6
Test jezelf
Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Oefenen Microgames bij hoofdstuk 6
Speel het na
Zet uitmondingen in het juiste gebied en beoordeel de verdunning. De stof van dit hoofdstuk in een korte game uit de app; een game duurt een paar minuten.