Een goed afgesteld toestel kan toch CO maken als de ruimte eromheen niet deugt. Te weinig lucht, een afzuigkap die rookgas terugtrekt of een kast zonder roosters: dat zijn situaties die je bij elk bezoek moet herkennen. In dit hoofdstuk leer je waar een toestel mag staan, welke ruimte eromheen nodig is en hoe je uitrekent hoe groot de ventilatieopeningen moeten zijn.
Scroll om te beginnen
Doelen6 doelen
Na dit hoofdstuk kun je:
beoordelen of een ruimte geschikt is voor een gastoestel, met het oog op brand- en explosiegevaar;
noemen waar een open toestel niet mag staan (garage, badkamer, toilet) en wanneer een kelder niet geschikt is;
controleren of er genoeg vrije ruimte rond het toestel is, ook in een keukenkastje;
per type toestel beoordelen of het past bij het ventilatiesysteem van de woning;
met de volumetoets en de tabellen van NEN 3028 uitrekenen hoe groot de toevoer- en afvoeropening moeten zijn;
een opstellingsruimte in de praktijk stap voor stap beoordelen, bij onderhoud en bij vervanging.
De kern is 4.7: met een rekenmachine reken je de openingen zelf door.
4.1 Belasting
Opstellingsruimte of stookruimte?
Elke ruimte waar een verbrandingstoestel staat, is een opstellingsruimte of een stookruimte. De opstelplaats is de plek die bedoeld is voor het toestel.
Het verschil zit in de belasting. De belasting is de hoeveelheid energie die per tijdseenheid in het toestel gaat, in kW. Is de totale nominale belasting van de toestellen in die ruimte groter dan 130 kW, dan is het een stookruimte. Dat geldt ook als het toestel bij een installatie hoort met meerdere toestellen die samen boven de 130 kW komen. Daaronder is het een opstellingsruimte. Voor een lokaal verwarmingstoestel geldt de stookruimte-eis niet.
Bi op het typeplaatje
0160 kW
Sleep
Schuif Bi tot vlak onder de 130 kW en kijk waar Bs uitkomt.
Schets Reken eerst Bi om naar Bs.
Reken altijd met de belasting op bovenwaarde: Bs = 1,11 x Bi. Hoe dat zit, staat in hoofdstuk 1, paragraaf 1.5.
Bron
NEN 3028 §3.4, §3.35, §3.36, §3.42 en §5.1; Kleintje Gas §1.1.5 en tabel 3.3.
4.2 Explosiegevaar
Explosiegevaar: waar een toestel niet mag staan
Wanneer kan gas ontploffen?
Gas dat uit een lek stroomt, mengt zich met lucht. Zo'n mengsel ontsteekt alleen als er niet te weinig en niet te veel gas in zit. Die grenzen heten de explosiegrenzen:
Aardgas in de lucht
0%20%
Sleep
Schuif het gas tussen de twee grenzen.
onderste explosiegrens (LEL): de linker grens op de balk. Minder gas: het mengsel blijft na ontsteken niet zelf branden.
bovenste explosiegrens (UEL): de rechter grens op de balk. Meer gas: ook dan blijft het mengsel niet zelf branden.
Figuur 4.1 De explosiegrenzen van aardgas: alleen tussen de LEL en de UEL kan het mengsel ontsteken.
Ruik je gas in een woning, vermijd dan vuur en vonken en zet geen licht of apparaten aan of uit. Zonder vonk of vlam ontsteekt aardgas pas vanzelf rond 700 graden C (de zelfontbrandingstemperatuur).
Bron
Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.2.2 en §8.3.4.
Elke ruimte met een gastoestel telt mee
De bouwregels gaan ervan uit dat in elke ruimte met een opstelplaats voor een gastoestel een gasexplosie kan gebeuren. Zo'n explosie mag er niet toe leiden dat het gebouw verder instort. Dat is een eis aan de constructie van het gebouw.
Bron
NEN 3028 §6.1.2.
Tik op een ander toestel en kijk welke ruimtes verkleuren.
Schets Waar mag het staan?
Kelder en propaan
Een ruimte onder het maaiveld, zoals een kelder, is zonder extra voorzieningen geen geschikte opstellingsruimte.
Brandt het toestel op een gas dat zwaarder is dan lucht (zoals propaan), dan mag de vloer van de opstellingsruimte nooit onder het maaiveld liggen. Deze regel maakt geen onderscheid naar type, dus hij geldt ook voor een gesloten toestel.
Bron
NEN 3028 §6.1.2.
Garage
In een ruimte waar motorvoertuigen gestald worden (garage) mag geen open toestel (type A of type B) staan. Een gesloten toestel (type C) mag daar wel, maar alleen als de buitenkant van het toestel niet heter wordt dan 380 graden C.
Bron
NEN 3028 §6.1.2; Kleintje Gas §3.1.3.
Badkamer en toilet
Een open toestel (type A of B) mag niet in een toilet of badruimte staan.
In een badruimte mag alleen een gesloten verwarmingstoestel (type C).
Een afvoerloze geiser (type A) mag ook niet in een ruimte die direct met een toilet, bad- of doucheruimte in verbinding staat. Direct betekent hier: er zit maar 1 tussendeur tussen de geiser en de bad- of doucheruimte.
Een cv-ketel kan verder bijna overal in de woning hangen.
Bron
NEN 3028 §6.1.2; Kleintje Gas §3.1.3.
Extra eisen voor een afvoerloze geiser (type A)
Een type A-geiser haalt zijn lucht uit de ruimte en het rookgas komt ook in die ruimte. Daarom gelden naast de plaatsregel hierboven deze eisen:
inhoud van de ruimte minstens 10 m3;
het toestel heeft een atmosfeerbeveiliging; geisers met CE-markering hebben die. De fabrikant geeft aan op welke hoogte je hem hangt;
Voor nieuwe toestellen in woningen raadt de norm een type A-toestel af, behalve een kooktoestel.
Bron
NEN 3028 tabel 1a; Kleintje Gas §2.4.2 en §3.1.3.
4.3 Brand
Brandveiligheid rond het toestel
Het toestel en de afvoer mogen de ruimte niet brandgevaarlijker maken. Daar horen vier dingen bij.
Schets Vier dingen rond het toestel.
1
Geen brandbaar materiaal vlak bij het toestel. Brandbaar spul, zoals papier, hoort niet binnen 0,5 m van het toestel. Bij een open toestel mogen er ook geen brandbare vluchtige stoffen in de opstelplaats staan.
2
Hittebestendige wanden. Wordt een vloer, wand of plafond door het toestel of de afvoer warmer dan 90 graden C, dan moet dat deel onbrandbaar zijn (klasse A1, of A1fl voor een vloer).
3
Doorvoeringen. Gaat een rookgasafvoer, luchttoevoer, leiding of kabel door een brandwerende wand of vloer, dan moet die wand op die plek even brandwerend blijven.
4
Gasdichte leiding. Een gasleiding geldt als gasdicht als de lekkage kleiner is dan 5 dm3/h. Meer over de gasleiding in hoofdstuk 2, paragraaf 2.8.
Bron
NEN 3028 §6.3.1 en §6.3.2; NEN 8078 §5.2.2; Kleintje Gas §3.1.3 en §8.6.2.
4.4 Ruimte
Ruimte rond het toestel, temperatuur en het keukenkastje
Vrije ruimte
Je moet bij het toestel kunnen om het te bedienen, te onderhouden en te repareren. Kijk eerst in de installatievoorschriften van de fabrikant: die bepalen hoeveel vrije ruimte nodig is. Zegt de fabrikant niets, dan geldt NEN 3028 (zie figuur 4.2):
Figuur 4.2 Vrije ruimte bij een toestel in een kast (niet op schaal).
stahoogte aan de bedieningszijde, vanaf de vloer gemeten (maat in figuur 4.2);
vrije loopstrook voor de bedieningszijde, desnoods met de kastdeur open (maat in figuur 4.2);
overige zijden net zo ver van een wand als tussen kastdeur en toestel in figuur 4.2. De achterkant van een wandtoestel hoeft dat niet.
Het toestel mag ook geen deur of luik blokkeren. Boven het toestel stelt de norm geen vaste maat. Als advies houd je ongeveer 0,5 m vrij, tenzij de fabrikant iets anders voorschrijft.
Bron
NEN 3028 §6.2; Kleintje Gas §3.1.5.
Figuur 4.2: Getekend naar NEN 3028 figuur 2.
Temperatuur in de ruimte
De opstellingsruimte moet zo zijn gemaakt dat de temperatuur binnen de grenzen van de schets blijft. Onder de ondergrens bevriest de watervoerende installatie; boven de bovengrens kan de regelapparatuur het niet aan. Bij een buitentemperatuur boven 30 graden C mag de ruimte niet meer dan 10 graden C boven de buitentemperatuur uitkomen.
Maakt het toestel ook warm tapwater (combi- of tapwatertoestel), dan geldt de lagere grens uit de schets, gemiddeld over de dag, vanwege mogelijke groei van legionella.
Schets Zo warm mag het worden.
Bron
NEN 3028 §5.3 en §6.5.1; Kleintje Gas §3.1.3 en §8.6.2.
Een toestel in een keukenkastje
De norm tekent de kast als opstelplaats mee (figuur 4.2, "kastruimte"). Een kastje beoordeel je dus met dezelfde regels als een gewone ruimte: vrije ruimte volgens de fabrikant, of anders de maten hierboven (figuur 4.2), zo nodig met de kastdeur open. Daarna de openingen uit 4.7.
Gesloten toestel (C)
Bij een gesloten toestel zijn openingen volgens tabel 2 nodig als de inhoud van het kastje niet groter is dan 0,2 x Bs.
Open toestel (B)
Een open toestel (type B) haalt zijn verbrandingslucht uit het kastje zelf; daarvoor eist tabel 1a altijd een toevoeropening, en in een kleine ruimte ook een afvoeropening.
Zonder die openingen voldoet het niet.
Bron
NEN 3028 §3.34, §6.2, tabel 1a en tabel 2.
4.5 Ventilatie
Het ventilatiesysteem van de woning
NEN 3028 onderscheidt drie manieren van ventileren:
natuurlijke toevoer en natuurlijke afvoer (natuurlijke ventilatie);
natuurlijke toevoer en mechanische afvoer (mechanische afzuiging);
mechanische toevoer en mechanische afvoer (gebalanceerde ventilatie).
natuurlijkventilator
Door mechanische ventilatie kan onderdruk in de opstellingsruimte ontstaan. Dat heeft grote gevolgen voor open toestellen.
Wat mag bij welk ventilatiesysteem? (NEN 3028, tabel 1a)
mag, als de ventilator van het toestel de onderdruk kan overwinnen (fabrikant)
Type C (gesloten)
mag
mag
Zet de mechanische afvoer aan en kijk naar de trekonderbreker.
Schets Open toestel bij onderdruk.
Waarom geen B11 bij mechanische afvoer? Een B11 heeft een trekonderbreker en geen ventilator (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.8). De onderdruk van het ventilatiesysteem kan rookgas via de trekonderbreker naar binnen trekken, waardoor CO kan ontstaan (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.7 en 2.8). Een B11 in een woning met permanente mechanische ventilatie moet je vervangen.
Een B22 of B23 heeft een ventilator (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.8). Die ventilator moet sterk genoeg zijn om tegen de onderdruk in de woning op te werken. Of dat lukt, hangt onder meer af van de druk die het toestel levert en de weerstand van toevoer en afvoer. Volg daarvoor de installatievoorschriften van de fabrikant.
Een type A-geiser mag bij permanente mechanische ventilatie; de onderdruk is voor dit toestel geen bezwaar. Bij nieuwbouw en renovatie is hij wel sterk af te raden: de gevel is daar luchtdichter, en valt de ventilatie uit, dan is de kans op CO-vergiftiging groot.
Bron
NEN 3028 tabel 1a; NPR 3378-60 §5.3.3; Kleintje Gas §3.1.2, §3.3.1 en §4.3.1.
Afzuigkap en badkamerventilator
Ook een afzuigkap in de keuken of een ventilator in badkamer of toilet voert lucht mechanisch af en kan onderdruk geven. Zo'n ventilator is geen mechanisch ventilatiesysteem van de woning. Bij een type A- of type B-toestel mag hij daarom wel, maar alleen als je hebt vastgesteld dat de afvoer van het gastoestel in alle bedrijfssituaties goed en veilig blijft werken.
Bij een B11
Bij een B11 betekent dat: de toevoeropening is groot genoeg volgens de tabellen in 4.6 en 4.7, VATO en TTB werken, en de test hieronder laat zien dat er geen rookgas terugstroomt.
Zo stel je dat vast bij een open toestel met trekonderbreker:
1
Meet CO in de ruimte, op 1,7 m hoogte en 1 m van het toestel. Meet je tussen 5 en 20 ppm, onderzoek dan de onderdruk door de ventilatieapparatuur (zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.5).
2
Sluit ramen, buitendeuren en afsluitbare roosters. Zet de binnendeuren open.
3
Zet de afzuigkap, alle ventilatoren en de mechanische afvoer op de hoogste stand en zet alle type B-toestellen aan.
4
Na hoogstens 5 minuten mag er geen rookgas meer uit de trekonderbreker komen. Komt er wel rookgas uit, dan blijft de afvoer niet veilig werken.
Dit is meting 1 van de luchttoevoertest bij mechanische afzuiging; de hele test met de CO2-metingen staat in hoofdstuk 9, paragraaf 9.6.
Bron
BRL 6000-25 §5.2.4 en §5.2.6; Kleintje Gas §3.1.2, §4.3.1 en §9.3.5.
De ventilatiewisselklep (vewiklep)
Een ruimte met een type A-toestel (afvoerloze geiser of gasfornuis) moet ventilatielucht en rookgas kunnen afvoeren, bijvoorbeeld via een ventilatiekanaal. Hangt er een afzuigkap op dat ventilatiekanaal, dan is een ventilatiewisselklep verplicht. De klep wisselt tussen twee standen: ventilatie van de ruimte, of afzuigen van kooklucht door de kap (zie figuur 4.3). Je controleert met het oog of de klep goed werkt.
Figuur 4.3 De ventilatiewisselklep zit in het kanaal boven de afzuigkap. Kap uit: de ruimte wordt via de zijopeningen geventileerd. Kap aan: de klep sluit de zijopeningen en de kap zuigt kooklucht af.
De ventilatieafvoer van zo'n ruimte loopt:
via een eigen kanaal dat boven het dak uitmondt, zonder samen te komen met de ventilatie van andere ruimten; of
via een aansluiting op de mechanische ventilatie.
In een oud bouwkundig kanaal kan vuil zitten. Het kanaal moet schoon zijn, anders blijven ventilatielucht en rookgas van geiser of fornuis binnen.
Bron
Kleintje Gas §3.2.2.
Figuur 4.3: Getekend naar Kleintje Gas afb. 3.8.
Check
Mag het hier staan?
Een ruimte of woning en een toestel. Kies of het mag.
4.6 Luchttoevoer
Luchttoevoer voor open toestellen
Waar moet de luchttoevoer van een type B zitten?
Een open toestel haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte. Die lucht moet ergens vandaan komen. Voor de opening die lucht van buiten binnenlaat gelden deze regels:
Schets De luchttoevoer, nummers als in de lijst.
1
niet afsluitbaar, in de gevel of het dak. Of er zit een bewaking op die zorgt dat de opening open is zodra het toestel brandt;
2
lucht rechtstreeks van buiten, of via een andere ruimte (nevenruimte) die zelf een gevelopening heeft die groot genoeg is;
3
minstens 0,3 m hoger dan het maaiveld of het dakvlak, zodat sneeuw en bladeren de opening niet dichtzetten;
4
het toestel niet pal voor of naast de opening in de buitengevel hangen (bevriezing, verstoorde verbranding);
5
minstens 2 m van de perceelgrens, loodrecht gemeten;
6
zit er een rooster in de instroomopening, dan een spleet- of maaswijdte van 10 mm;
7
loopt de lucht via een nevenruimte, dan moet de inhoud van opstellingsruimte en nevenruimte samen groter zijn dan 0,2 x Bs.
Nooit dicht
De norm eist dat de luchttoevoer en -afvoer geborgd zijn zolang het toestel in gebruik is. Een rooster dat dichtgeplakt of dichtgezet is, ook alleen in de winter, voldoet dus niet.
Bron
NEN 3028 §6.5.2; NPR 3378-60 §5.2 en §5.3.3; Kleintje Gas §3.3.2.
Netto doorlaat en het rooster
De tabellen in 4.7 geven de vrije doorlaat (netto doorlaat): het oppervlak waar de lucht echt doorheen kan. Die is kleiner dan de buitenmaat van het rooster. Reken met een vrije doorlaat van ongeveer 50%: voor 120 cm2 netto is een rooster van minstens 160 x 160 mm nodig.
Schets Buitenmaat en vrije doorlaat.
Bij een fabrieksrooster komt er vaak weerstand bij door gaas, vernauwingen of een andere stromingsrichting van de lucht. Van zo'n rooster is vaak een karakteristiek bekend in de documentatie van de fabrikant.
Bron
Kleintje Gas §3.2.3 en §3.3.3.
Type A: ventilatie van de ruimte
Bij een type A-toestel (afvoerloze geiser of kooktoestel, elk met Bs onder 15 kW) blijft het rookgas in de ruimte. De ventilatie moet dus zowel verbrandingslucht aanvoeren als rookgas afvoeren. Volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moet zo'n ruimte altijd 21 dm3/s ventilatie hebben (ongeveer 75 m3/h), ook als de klant de roosters dichtzet. Daarom is een netto opening van minstens 120 cm2 nodig (rooster minstens 160 x 160 mm). De ruimte moet bovendien minstens 10 m3 zijn (zie 4.2). NEN 3028 tabel 1a geeft per ventilatiesysteem:
Type A per ventilatiesysteem (NEN 3028, tabel 1a)
Type A
At1 (van buiten)
At2 (uit binnenruimte)
Aa1 (naar buiten)
Mechanisch
Geiser (eventueel met kooktoestel), natuurlijke ventilatie
120 cm2
120 cm2
120 cm2
niet van toepassing
Alleen kooktoestel, natuurlijke ventilatie
0
0
120 cm2
niet van toepassing
Geiser, mechanische afvoer
120 cm2
120 cm2
niet van toepassing
afvoer qa1 minstens 75 m3/h
Alleen kooktoestel, mechanische afvoer
0
0
niet van toepassing
afvoer qa1 minstens 75 m3/h
Geiser, mechanische toe- en afvoer
niet van toepassing
120 cm2
niet van toepassing
toevoer qt en afvoer qa1 elk minstens 75 m3/h
Alleen kooktoestel, mechanische toe- en afvoer
niet van toepassing
0
niet van toepassing
toevoer qt en afvoer qa1 elk minstens 75 m3/h
Alle waarden zijn minimumwaarden.
Bron
NEN 3028 tabel 1a; Kleintje Gas §3.2.3.
Type C: waarom ook ventileren?
Een gesloten toestel haalt zijn lucht via de luchttoevoer van buiten. De ruimte zelf hoeft dus geen verbrandingslucht te leveren. Ventilatie van de ruimte dient dan voor twee dingen: de temperatuur blijft onder de 40 graden C, en kleine lekverliezen van gasleiding en kranen worden afgevoerd. Voor die lekverliezen is de normale beluchting altijd genoeg. Is de ruimte klein (V niet groter dan 0,2 x Bs), dan eist NEN 3028 tabel 2 wel een toevoer- en afvoeropening (zie 4.7).
Bron
NEN 3028 §6.5.1 en tabel 2; Kleintje Gas §3.4.1.
4.7 Kern: rekenen
Ventilatieopeningen berekenen
De afkortingen
Tik een afkorting: in figuur 4.4 licht op waar hij zit.
verse luchtruimtelucht eruitrookgas
Figuur 4.4 Toevoer- en afvoeropeningen bij een open toestel (B11) met nevenruimte: verse lucht komt laag binnen via At1 en At2, ruimtelucht gaat hoog weg via Aa2 of Aa1.
AfkortingBetekenis
qt, qa1capaciteit van de mechanische toevoer en afvoer (m3/h)
Komt de lucht via een nevenruimte, dan loopt de route zo: van buiten via At1 (in de gevel van de nevenruimte) de nevenruimte in, en via At2 (in de binnenwand) de opstellingsruimte in (zie figuur 4.4).
Bron
NEN 3028 §4 en figuur 3; Kleintje Gas afb. 3.9.
Figuur 4.4: Getekend naar NEN 3028 figuur 3 en tabel 1a en Kleintje Gas afb. 3.9.
Zo doe je het: het stappenplan
Stap
Ernaast
Rekenvoorbeeld 1: gesloten combiketel in een kast
Een gesloten combiketel (type C) hangt in een kast van 0,8 m breed, 0,6 m diep en 2,4 m hoog. Op het typeplaatje staat Bi = 27 kW.
1
Bepaal het type toestel. Type A, B11, B22/B23 of C? Kijk op het typeplaatje. Bij type A reken je niet met een factor: de ruimte moet minstens 10 m3 zijn en de openingen zijn vaste waarden uit de tabel in 4.6 (120 cm2, of 0 voor de toevoer als er alleen een kooktoestel staat). Stap 3 tot en met 8 vallen dan weg.
Type C; ventilatiesysteem maakt niet uit.
2
Bepaal het ventilatiesysteem. Natuurlijke afvoer, mechanische afvoer of gebalanceerd? Mag dit toestel daarbij? (zie 4.5). Zo niet: stop, het toestel past niet in deze woning.
3
Reken Bi om naar Bs: Bs = 1,11 x Bi. Staat er al Bs op het plaatje, dan sla je deze stap over. Staan er meer toestellen in de ruimte, tel de belastingen op.
Bs = 1,11 x 27 = 29,97 kW.
4
Bereken de inhoud: V = lengte x breedte x hoogte (m3).
V = 0,8 x 0,6 x 2,4 = 1,15 m3.
5
Doe de volumetoets: reken 0,2 x Bs uit (in m3) en vergelijk met V.
V kleiner dan of gelijk aan 0,2 x Bs: een kleine ruimte;V groter dan 0,2 x Bs: een grote ruimte.
Volumetoets: 0,2 x 29,97 = 5,99 m3. V = 1,15 m3 is kleiner dan 5,99 m3: kleine ruimte, openingen nodig.
6
Zoek de factor op in de tabel hieronder, bij het type toestel, het ventilatiesysteem en klein of groot.
type C, kleine ruimte: factor 1 (1 x Bs)
7
Reken de opening uit: factor x Bs = minimale vrije doorlaat in cm2. Rond naar boven af.
At en Aa elk minstens 1 x Bs = 29,97, afgerond 30 cm2.
8
Controleer de ondergrens: bij type C minstens 50 cm2; bij B22/B23 met mechanische toe- en afvoer minstens 120 cm2.
Ondergrens type C is 50 cm2. 30 cm2 is minder, dus wordt het 50 cm2.
Antwoord: een toevoeropening en een afvoeropening, elk minstens 50 cm2 vrije doorlaat.
Figuur 4.5 Rekenschema voor de ventilatieopening: van Bi naar Bs, de volumetoets en de opening in cm2, met de ondergrens. Bij type A geen factor maar vaste waarden.
Onthoud
De getallen in de tabellen zijn minimumwaarden (de norm schrijft "groter dan of gelijk aan"). Een opening mag dus nooit kleiner zijn dan wat de tabel vraagt.
Bron
NEN 3028 §6.5.2; Kleintje Gas tabel 3.3.
Figuur 4.5: NEN 3028 §6.5.2, tabel 1a en tabel 2; Kleintje Gas tabel 3.3.
Tabel: type C (gesloten toestel) (NEN 3028, tabel 2)
Inhoud V
At (toevoer)
Aa (afvoer)
V kleiner dan of gelijk aan 0,2 x Bs
minstens 1 x Bs cm2, minimaal 50 cm2
minstens 1 x Bs cm2, minimaal 50 cm2
V groter dan 0,2 x Bs
geen opening nodig (0)
geen opening nodig (0)
De openingen mogen naar buiten gaan of naar een nevenruimte. Ventileer je naar een nevenruimte, dan moeten opstellingsruimte en nevenruimte samen groter zijn dan 0,2 x Bs. Geeft de fabrikant in zijn installatievoorschriften andere eisen voor de ventilatie van de ruimte, volg dan die.
Bron
NEN 3028 tabel 2; Kleintje Gas §3.4.2 en tabel 3.4.
Tabel: type B (open toestel) bij natuurlijke toevoer en natuurlijke afvoer (NEN 3028, tabel 1a)
Toestel en inhoud
At1 (van buiten)
At2 (uit binnenruimte)
Aa (afvoer)
B11, V kleiner dan of gelijk aan 0,2 x Bs
5 x Bs
10 x Bs
Aa1 naar buiten 3 x Bs, of Aa2 naar binnen 5 x Bs
B11, V groter dan 0,2 x Bs
5 x Bs
5 x Bs
geen (0)
B22/B23, V kleiner dan of gelijk aan 0,2 x Bs
5 x Bs
5 x Bs
Aa1 naar buiten 3 x Bs, of Aa2 naar binnen 3 x Bs
B22/B23, V groter dan 0,2 x Bs
3 x Bs
3 x Bs
geen (0)
Bij een B11 met de trekonderbreker op 1,7 m hoogte of hoger telt het oppervlak van de trekonderbreker mee voor de afvoeropening Aa1. Voor een blokkenvuur type II is At1 bij een grote ruimte minstens 15 x Bs.
Bron
NEN 3028 tabel 1a; Kleintje Gas tabel 3.3.
Tabel: type B22/B23 bij mechanische afvoer (NEN 3028, tabel 1a)
De eis van minstens 10 m3 geldt alleen voor type A. Bij type B is er geen eis aan de inhoud als de woning mechanische afvoer heeft. De ondergrens van 50 cm2 hoort bij type C; bij type B reken je met de factoren uit de tabel.
Bron
NEN 3028 tabel 1a.
Waar komen de roosters?
Opstellingsruimte
Voor een opstellingsruimte stelt NEN 3028 vooral eisen aan de grootte van de openingen. Een eis als kruislings ventileren of alles aan een kant kent de norm voor een opstellingsruimte niet: zolang de ruimte genoeg geventileerd wordt, mag dat.
Alleen bij een open toestel B11 met trekonderbreker laat de norm in een figuur zien waar de openingen zitten (figuur 4.4): de toevoeropening naar buiten minstens 0,3 m boven het maaiveld, de afvoer naar buiten hoog, met minstens 1,7 m hoogteverschil tussen toevoer en afvoer, en de afvoer minstens 0,3 m boven het dak.
Stookruimte
Eisen aan de plaats gelden wel voor een stookruimte (boven 130 kW, zie 4.1): toevoer laag (nergens hoger dan 1/3 van de hoogte), afvoer hoog (nergens lager dan 2/3), de lucht dwars door de ruimte, bij natuurlijke ventilatie niet in dezelfde gevel en minstens 1,7 m hoogteverschil. Dat geldt dus niet voor een opstellingsruimte.
Bron
NEN 3028 §6.5.2 en §7.7.2.2 t/m §7.7.2.4; Kleintje Gas §3.3.3 en §3.4.2.
Nog drie rekenvoorbeelden
Rekenvoorbeeld 2: grotere gesloten ketel in een technische ruimte
Een gesloten ketel (type C) met Bi = 60 kW staat in een technische ruimte van 1,5 m x 2,0 m x 2,5 m.
Bs = 1,11 x 60 = 66,6 kW.
V = 1,5 x 2,0 x 2,5 = 7,5 m3.
Volumetoets: 0,2 x 66,6 = 13,32 m3. V = 7,5 m3 is kleiner: openingen nodig.
At en Aa elk minstens 1 x 66,6 = 66,6 cm2, afgerond 67 cm2. Dat is meer dan 50 cm2, dus 67 cm2 geldt.
Wat als
Wat als de ruimte uitkomt op een gang van 20 m3, en je naar die gang ventileert? Samen is dat 7,5 + 20 = 27,5 m3, groter dan 13,32 m3. Ventileren naar die nevenruimte mag dan.
En als dezelfde ketel in een ruimte van 3,0 x 2,5 x 2,5 = 18,75 m3 stond? Dan is V groter dan 13,32 m3 en zijn er geen openingen nodig.
Rekenvoorbeeld 3: open toestel met trekonderbreker (B11) in een kleine ruimte
Een B11-toestel met Bi = 18 kW staat in een berging van 1,2 m x 1,25 m x 2,5 m. De woning heeft natuurlijke ventilatie zonder afzuigventilatoren. De lucht komt rechtstreeks van buiten.
Type B11, natuurlijke ventilatie: dit mag.
Bs = 1,11 x 18 = 19,98 kW.
V = 1,2 x 1,25 x 2,5 = 3,75 m3.
Volumetoets: 0,2 x 19,98 = 3,996 m3, ongeveer 4,0 m3. V = 3,75 m3 is kleiner: kleine ruimte.
Toevoer van buiten: At1 = 5 x 19,98 = 99,9, afgerond 100 cm2.
Afvoer naar buiten: Aa1 = 3 x 19,98 = 59,94, afgerond 60 cm2. Gaat de afvoer naar een binnenruimte, dan Aa2 = 5 x 19,98 = 99,9, afgerond 100 cm2.
Hangt de trekonderbreker op 1,7 m of hoger, dan telt het oppervlak ervan mee voor Aa1.
Let op
Komt er later een mechanische afzuiging in deze woning, dan geldt de tabel in 4.5; grotere roosters veranderen daar niets aan.
Rekenvoorbeeld 4: open toestel met ventilator (B23), lucht via een nevenruimte
Een B23-toestel met Bi = 25 kW staat in een ruimte van 2,0 m x 2,0 m x 2,4 m. De lucht komt via de bijkeuken, die een rooster in de gevel heeft.
Bs = 1,11 x 25 = 27,75 kW.
V = 2,0 x 2,0 x 2,4 = 9,6 m3.
Volumetoets: 0,2 x 27,75 = 5,55 m3. V = 9,6 m3 is groter: grote ruimte.
Natuurlijke ventilatie: At1 en At2 elk 3 x 27,75 = 83,25, afgerond 84 cm2. Dus 84 cm2 in de gevel van de bijkeuken en 84 cm2 in de binnenwand. Een afvoeropening is niet nodig.
Zelfde toestel in een woning met mechanische afzuiging: NEN 3028 stelt dan geen eis aan de inhoud. In de gevel van de bijkeuken: At1 = 3 x 27,75 = 83,25, afgerond 84 cm2. In de binnenwand: At2 = 6 x 27,75 = 166,5, afgerond 167 cm2. De mechanische afvoer moet minstens 75 m3/h halen, en de ventilator van het toestel moet de onderdruk aankunnen (fabrikant).
Bron rekenvoorbeelden
NEN 3028 tabel 1a en tabel 2; Kleintje Gas tabel 3.3.
Check
Reken zelf
Elke keer een nieuwe situatie. Reken de openingen uit en vul ze in, in hele cm2. Is er geen opening nodig, vul dan 0 in. Reken eerst zelf; daarna kun je controleren met de rekenmachine hieronder.
4.7 · Rekenmachine
Reken een opstellingsruimte door
Neem een rekenvoorbeeld over of vul je eigen situatie in. Elke stap rekent direct mee.
Rekenvoorbeeld
1Type toestel
2Ventilatiesysteem
3Belasting
Meer toestellen in de ruimte: vul de opgetelde belasting in.
4Inhoud van de ruimte
5Volumetoets
6Factor
7Opening
8Ondergrens
Uitkomst
4.8 Beoordelen
Een opstellingsruimte beoordelen in de praktijk
Zo doe je het: de volgorde
1
Plaats: is dit een ruimte waar dit type toestel mag staan? Geen open toestel in garage, badkamer of toilet. Geen propaan onder het maaiveld.
2
Brand: geen brandbaar materiaal binnen 0,5 m, geen brandbare vluchtige stoffen bij een open toestel, hete wanden onbrandbaar.
3
Ruimte rond het toestel: volgens de fabrikant, anders 2 m stahoogte, 1 m loopstrook, 10 cm rondom.
4
Ventilatiesysteem: mechanische afvoer in de woning? Kijk dan in de tabel in 4.5 of het toestel daar mag. Afzuigkap of badkamerventilator bij een open toestel? Test dan met alles op de hoogste stand of de afvoer goed blijft werken (zie 4.5). Afzuigkap op het ventilatiekanaal? Dan een werkende vewiklep.
5
Openingen: volumetoets en tabel. Zijn de openingen er, groot genoeg en niet dichtgemaakt?
6
Temperatuur: geen tekenen van te hoge temperatuur of bevriezingsgevaar.
Voldoet een van deze punten niet, dan voldoet de opstellingsruimte niet aan de eisen.
Bron
NEN 3028 §5.3, §6.1.2, §6.2, §6.3 en §6.5; Kleintje Gas §3.1.2 en §3.1.3.
Bij onderhoud
Kijk bij elk onderhoud ook naar de omgeving van het toestel: loop stap 2, 4, 5 en 6 van de volgorde hierboven na (brand, ventilatiesysteem, openingen, temperatuur).
Op het rapport (BRL 6000-25 bijlage 3) leg je onder meer vast dat de luchttoevoer en luchtafvoer zijn gecontroleerd, en of er onderdruk is door ventilatieapparatuur.
Schets Onderdruk hoort op het rapport.
Meet je bij een open toestel een CO-waarde in de opstellingsruimte zoals in stap 1 van de afzuigkaptest (4.5), onderzoek dan de onderdruk door ventilatieapparatuur nader (BRL 6000-25 §5.2.4; zie ook hoofdstuk 3, paragraaf 3.5).
Bron
BRL 6000-25 §5.2.4 en bijlage 3; Kleintje Gas §8.6.2.
Bij vervanging van het toestel
Vervang je een toestel, dan moet de opstellingsruimte voldoen aan alle eisen voor een nieuw toestel: brandveiligheid, luchttoevoer en ontluchting. Beoordeel de luchttoevoer opnieuw. Het nieuwe toestel heeft misschien meer lucht nodig, en na-isolatie kan kieren hebben gedicht waar vroeger lucht doorkwam (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.8).
De luchttoevoer moet genoeg zijn voor alle verbrandingstoestellen in de ruimte, dus ook voor een ander open toestel dat blijft staan. De voorkeur gaat altijd uit naar vervanging door een gesloten toestel.
Volgens BRL 6000-25 controleer je het ontwerp en de bouwkundige situatie vooraf. Er moet genoeg capaciteit zijn voor verbrandingsluchttoevoer en ventilatieafvoer volgens de fabrikant. Werk je volgens NEN 3028 en/of NPR 3378, dan voldoe je daaraan.
Bron
BRL 6000-25 §5.2.1; Kleintje Gas §9.2.1 en §9.3.5.
De luchttoevoertest bij twijfel
Twijfel je of een bestaande ruimte met een open toestel genoeg lucht krijgt, dan kun je een luchttoevoertest doen. Je meet hoeveel CO2 er in de ruimte ophoopt. Permanente toevoerroosters blijven wel de voorkeur houden; de test vervangt ze niet. De test geldt alleen voor aardgastoestellen. Wind kan de uitkomst beïnvloeden: bij windstilte of harde wind moet je de meting soms herhalen.
Zo gaat de test bij een type A-geiser:
CO2-meting (stap 5)
0%1,5%3%
Sleep
Schuif de meetwaarde en kijk wat de test zegt.
Schets De test, nummers als in de stappen.
1
Sluit alle ramen en afsluitbare ventilatieopeningen.
2
Zet alle type B-toestellen uit en schakel ventilatoren uit (mechanische afvoer zo mogelijk uit of op de laagste stand).
3
Sluit de binnendeuren van de opstellingsruimte.
4
Zet de geiser aan.
5
Meet na 15 minuten het CO2-percentage op 1,7 m boven de vloer en 1 m voor het toestel.
6
Is het CO2-percentage hoger dan 1,5%, dan is de luchttoevoer onvoldoende.
De meter mag maximaal 0,3% CO2 afwijken. Houd voor je eigen veiligheid ook het CO-gehalte in de ruimte in de gaten. De tests voor een B11 staan in hoofdstuk 9, paragraaf 9.6.
Bron
Kleintje Gas §9.3.5.
Check
Keur deze opstellingsruimte
Een berging met een open toestel met trekonderbreker (B11, alleen cv). De fabrikant geeft geen maten op. Tik alles aan wat niet voldoet. Daarna: Laat zien.
0 aangetikt
Einde hoofdstuk 4
Kort samengevat
Welke ruimte, welke plek
Boven 130 kW totale belasting (bovenwaarde) is het een stookruimte, daaronder een opstellingsruimte. Reken altijd met Bs = 1,11 x Bi.
Aardgas is ontsteekbaar tussen 5,8% en 15,9% in lucht. Geen open toestel in garage, badkamer of toilet; geen propaantoestel onder het maaiveld.
Rond het toestel
Geen brandbaar materiaal binnen 0,5 m; wanden die warmer worden dan 90 graden C moeten onbrandbaar zijn.
Vrije ruimte volgens de fabrikant, anders 2 m stahoogte, 1 m loopstrook en 10 cm rondom. Een keukenkastje beoordeel je als een opstellingsruimte, meestal een kleine.
Ventilatie en roosters
Bij mechanische afvoer: geen B11. Wel type A-geiser, kooktoestel, B22/B23 (als de ventilator de onderdruk aankan) en type C. Afzuigkap op een ventilatiekanaal vraagt een vewiklep.
In een opstellingsruimte geen eis als kruislings ventileren; bij een open B11 met trekonderbreker wel de maten uit figuur 4.4 (0,3 m en 1,7 m). In een stookruimte gelden eisen aan de plaats. Luchttoevoer mag nooit dicht; bij vervanging alles opnieuw beoordelen.
Openingen rekenen
Volumetoets: vergelijk V met 0,2 x Bs. Type C in een kleine ruimte: toevoer en afvoer elk 1 x Bs, minimaal 50 cm2. Grote ruimte: geen openingen.
Type B: factoren uit NEN 3028 tabel 1a (bijvoorbeeld 5 x Bs of 3 x Bs). Geen volume-eis bij B22/B23 met mechanische afvoer.
Hoofdstuk 4
Test jezelf
Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Oefenen Microgames bij hoofdstuk 4
Speel het na
Keur opstellingsruimtes en reken de ventilatie door. De stof van dit hoofdstuk in twee korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.