Je komt binnen voor onderhoud en je persoonlijke CO-melder gaat af. Of je meter geeft in de opstellingsruimte een waarde die niet goed is. Wat je in de eerste minuten doet, bepaalt of jij en de bewoners veilig blijven. Daarna moet je weten wat het getal op je meter betekent, wat je met het toestel doet en wie je moet inlichten.
CO merk je zelf niet (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.1). Daarom vertrouw je op een meter en niet op je neus. Draag altijd een persoonlijke CO-melder op borsthoogte, en blijf buiten als je giftige lucht in een ruimte vermoedt (zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.5).
De BRL 6000-25 zegt dat een monteur bij voorkeur zo'n persoonlijke veiligheidsmeter heeft om de CO in de omgeving in de gaten te houden.
Hoeveel CO mag jij zelf inademen? De Arbo-regels geven als grens voor de werknemer: zie de twee vlakken in de schets
20 ppm is heel weinig CO (wat ppm is, staat in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3), en toch is het de grens voor een werkdag.
Arbeidsomstandighedenregeling bijlage XIII; BRL 6000-25 bijlage 2; Kleintje Gas §3.1.4.
Soms piept er nog niets, maar klopt er toch iets niet. Ruikt de lucht bedompt of muf, is het erg vochtig binnen of klagen de bewoners over hoofdpijn of moeheid die buiten weggaat (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.5)? Meet dan de CO in de ruimte. Er kan te veel CO zijn.
Werk je in een flat of appartement, kijk dan verder dan het eigen toestel. Vind je in de woning zelf geen oorzaak, dan kan de bron bij de buren liggen (ernaast, eronder of erboven; zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.8).
Kleintje Gas §3.1.4.
Er zijn twee soorten situaties met te veel CO. Je moet ze uit elkaar houden.
Situatie 1: acuut gevaar. Je volgt het noodplan hieronder. Dat doe je als:
Voor het noodplan bestaat geen vaste ppm-waarde. Je kijkt naar deze signalen.
Situatie 2: je meet te veel CO, maar er is geen acuut gevaar.
Je volgt de meetwaardetabel (die leer je in 3.5): ventileren, de oorzaak zoeken en wegnemen, en melden. Boven 20 ppm komt daar de meldplicht bij. Verandert de situatie terwijl je bezig bent, bijvoorbeeld je melder gaat af of iemand wordt onwel? Dan stop je en volg je alsnog het noodplan.
BRL 6000-25 §5.2.6; Kleintje Gas §3.1.4.
Zet de acht stappen zelf op volgorde. Daarna lees je ze uitgelegd in figuur 3.1.
Tik de kaartjes aan, van stap 1 tot stap 8.
Welke stap komt eerst?
Dit is wat je doet bij acuut gevaar. Werk de stappen in deze volgorde af (zie figuur 3.1).
Een lage waarde na ventileren betekent niet dat de oorzaak weg is. Ventileren verdunt de CO; de bron blijft. Daarom moet de oorzaak altijd gevonden worden.
BRL 6000-25 §5.2.6; Kleintje Gas Begrippenlijst en §3.1.4.
Kies per situatie wat je volgt.
Zes situaties. Na elke keuze lees je in de kaart waarom.
De opstellingsruimte is de ruimte waar het gastoestel staat of hangt. Denk aan een woonkamer, een cv-kast, een douche of een gezamenlijke ruimte in een gebouw. De BRL 6000-25 zegt dat je in elke opstellingsruimte de CO in de lucht meet. Dat geldt dus niet alleen in een flat.
Je meet twee keer (zie figuur 3.2):
Waar houd je de meter? Tik op een van de punten. Hoogte en afstand lees je af op de maatstrepen.
De waarde die je meter aangeeft, is de waarde die telt. Je trekt er geen meetfout van af en je telt er niets bij op. Wijst je meter 21 ppm aan, dan is het 21 ppm.
BRL 6000-25 §5.2.6; Kleintje Gas §3.1.4.
Een rookgasanalysemeter is gemaakt voor de metingen in het rookgas: CO, O2 (zuurstof) en de rookgastemperatuur. Daarvoor moet hij voldoen aan de norm EN 50379 deel 2.
Gebruik elk instrument volgens de gebruiksvoorschriften van de leverancier of fabrikant van dat instrument.
Een meting waarmee je beslist of iets goed of fout is, moet je doen met een gekalibreerde meter. Kalibreren betekent: de meter laten vergelijken met een erkende standaard, zodat je weet dat hij goed meet.
Je bedrijf houdt een overzicht bij van de meters en hoe vaak ze gekalibreerd worden.
BRL 6000-25 §6.2.1 en bijlage 2.
BRL 6000-25 §5.2.6 en §6.2.1.
2 ppm: 0 tot onder 5 ppm.
Situatie 2 uit 3.3: te veel CO, geen acuut gevaar. Je blijft aan het werk.
Gaat je persoonlijke melder af, vermoed je giftige lucht of is iemand onwel? Dan volg je eerst het noodplan uit 3.3, welke waarde je meter ook aanwijst.
Let op de grenzen: precies 5 ppm hoort al bij "niet veilig". Precies 20 ppm valt nog in het gebied 5 tot 20 ppm; "meer dan 20 ppm" begint daarboven.
BRL 6000-25 §5.2.4, §5.2.6, §5.2.8 en §6.1; Kleintje Gas §3.1.4.
Meet je bij een open toestel (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.6) 5 ppm of meer in de ruimte, dan kijk je naar twee dingen:
BRL 6000-25 §5.2.4 en §5.2.8.
Je komt voor de jaarlijkse beurt bij een open geiser in een keuken. Je meet voor het werk 12 ppm op 1,7 m hoogte en 1 m van de geiser.
Je meter wijst 12 ppm aan. Wat doe je nu?
Kies eerst je antwoord. Daarna zie je hoe het verder ging.
BRL 6000-25 §5.2.4, §5.2.6 en §5.2.8.
Te veel CO in de ruimte los je op twee manieren tegelijk op:
Ventileren, zodat de CO zakt. Ramen en deuren open.
De bron uitschakelen en de oorzaak wegnemen, zodat er geen nieuwe CO bij komt.
5 ppm of meer gemeten? Pas weer in bedrijf als de oorzaak weg is.
BRL 6000-25 §5.2.6; Kleintje Gas §3.1.4.
Lukt het niet om de oorzaak weg te nemen? Dan stel je het toestel buiten bedrijf. Dat is geen keuze. De BRL 6000-25 verplicht je om een toestel buiten bedrijf te stellen, en niet in bedrijf te stellen, als het ontoelaatbaar veel CO geeft. Dat geldt bij te veel CO:
Stel je toch een toestel in bedrijf terwijl de CO in de ruimte of in het rookgas te hoog is, en je hebt het probleem niet weggenomen? Dan is dat volgens de BRL een kritieke afwijking. De BRL kent twee soorten afwijkingen: kritiek en niet-kritiek. Een kritieke afwijking is er een die leidt tot een CO-gevaarlijke situatie voor de gebruiker of eigenaar.
BRL 6000-25 §6.1 en §11.1.1.
Deze grenzen leer je uitgebreid in hoofdstuk 8 (CO in het rookgas) en hoofdstuk 9 (CO2 in de luchttoevoer). Hier staan ze kort, omdat ze ook horen bij "ontoelaatbaar veel CO".
CO in het rookgas. Je volgt de grens van de fabrikant. Ook hier is de waarde op je meter leidend. Het toestel gaat pas weer in bedrijf als de waarde onder de grens zit.
CO2 in de luchttoevoer van een concentrisch systeem. Op het meetpunt van de luchttoevoer hoort het CO2 (kooldioxide, een stof uit het rookgas) gelijk te zijn aan buitenlucht. Meet je fors meer, dan kan het systeem van binnen lekken en doe je nader onderzoek. Hoe je deze meting doet, staat in hoofdstuk 9, paragraaf 9.6.
BRL 6000-25 §5.2.7 en §5.2.9; Kleintje Gas §8.6.6 en §8.6.7.
Een beveiliging die buiten werking is gezet, is nooit toegestaan, ook niet om een storing op te lossen. Zo blijft een toestel met een overbrugde TTB branden terwijl er rookgas terugstroomt. Valt een toestel vaak uit op de TTB, zoek dan direct de oorzaak; die ligt waarschijnlijk in de rookgasafvoer (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.10, en hoofdstuk 2, paragraaf 2.7).
Kleintje Gas §4.3.2 en §8.6.2.
Je onderbouwing is je meting. Een getal met een plaats en een tijd is sterker dan "het leek niet goed". Daarom meet en noteer je altijd voordat je beslist.
NEN 8078 §5.2.3; BRL 6000-25 §6.1; Kleintje Gas Begrippenlijst en §1.1.2.
Kies een situatie: het pad door het schema licht op.
Voorbeeld: 35 ppm, niet op te lossen.
Bij te veel CO ben je verplicht om te melden. Wie je inlicht, hangt af van de meetwaarde en van de vraag of je het probleem kunt oplossen.
de opdrachtgever: degene die jou de opdracht heeft gegeven.
de eigenaar van het gebouw (bij een huurwoning is dat bijvoorbeeld de verhuurder).
het bevoegd gezag: de overheidsinstantie die toeziet op de bouwregels (de gemeente)
de certificerende instelling: de organisatie die jouw bedrijf het BRL-certificaat geeft en controleert.
Een melding bevat in elk geval:
BRL 6000-25 §5.2.6 en §6.1; Kleintje Gas §1.1.2.
Werk je onder het BRL-certificaat, dan moet je je controles vastleggen. Je verslag is ook je onderbouwing als je een toestel buiten bedrijf stelt.
Van elke controle leg je vast:
De CO-meting in de opstellingsruimte is een vast punt op:
De lijsten in de bijlagen van de BRL zijn een samenvatting. Wat je moet controleren, staat in artikel 5.2 van de BRL. Dat artikel is leidend.
BRL 6000-25 §5.2.6, §5.3, bijlage 3 en bijlage 4; Kleintje Gas §1.1.2.
Je hebt gemeten, je hebt misschien het toestel afgesloten. Nu moet de bewoner of eigenaar begrijpen waarom, en wat er moet gebeuren. Jij vertelt de eigenaar wat de reden is van de te hoge CO, en je overtuigt hem van de maatregelen die nodig zijn om de installatie veilig te maken.
Kleintje Gas §3.1.4 en §8.6.2.
Vertel de klant na het plaatsen van een melder altijd wat hij bij alarm doet: direct in veiligheid, ramen en deuren open, naar buiten; is iemand onwel, 112 bellen; blijft het alarm gaan, de brandweer of de GGD waarschuwen. Stopt het alarm, dan is het probleem nog niet weg: de oorzaak moet altijd gevonden worden (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.10; het volledige stappenplan staat in hoofdstuk 10, paragraaf 10.12).
Kleintje Gas §3.1.4.
Staat er een open toestel of een afvoerloos toestel (type A of B) en hangt er geen CO-melder? Dan moet je de klant adviseren om een CO-melder in de opstellingsruimte te plaatsen. Je kruist op het opleveringsrapport aan dat je dit hebt geadviseerd.
Leg daarbij ook uit dat een CO-melder een extra vangnet is: hij vervangt geen onderhoud, geen controle van toestel en afvoer en geen rookmelder (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.10).
Hoe je een CO-melder kiest, plaatst en controleert, lees je in hoofdstuk 10.
BRL 6000-25 §5.2.15 en bijlage 3; Kleintje Gas §2.4.1 en §3.1.4.
Bij twijfel van de klant geldt: de veiligheid gaat voor. Een toestel dat ontoelaatbaar veel CO geeft, stel je buiten bedrijf, ook als de klant dat liever niet wil (zie 3.6). Blijf bij je meting, noem het getal, en leg vast wat je hebt gezegd en gedaan.
BRL 6000-25 §6.1.
Melder gaat af, giftige lucht of iemand onwel:
Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Oefen het meten en handelen: de meetwaarde, buiten bedrijf stellen en melden. De stof van dit hoofdstuk in twee korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.