Koolmonoxide (CO) zie je niet, ruik je niet en proef je niet. Toch overlijden er in Nederland elk jaar mensen aan. Jij komt als monteur bij de toestellen waar het kan misgaan, dus jij moet de signalen kennen. In dit hoofdstuk leer je wat CO is, waar het vandaan komt, wat het met een mens doet en aan welke signalen je het herkent.
Hoe je meet, wat je doet bij te veel CO en wie je moet informeren, staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 tot en met 3.7.
CO (koolmonoxide) ontstaat bij onvolledige verbranding: door te weinig lucht of door een slecht verlopende verbranding. Hoe dat gaat, dat een toestel ongeveer 1 m3 lucht per uur per kW Bs nodig heeft en dat de hoeveelheid CO in het rookgas iets zegt over de verbranding, lees je in hoofdstuk 1, paragraaf 1.3 en 1.4.
Onvolledige verbranding kan bij aardgas, maar ook bij olie, kolen en hout. Elk toestel waarin iets brandt, kan dus CO maken: een cv-ketel, een geiser, een kachel, een open haard of een gasfornuis.
CO heeft drie eigenschappen die het zo verraderlijk maken:
het is zeer giftig;
het heeft geen geur, geen kleur en geen smaak;
mensen merken het daardoor niet op.
CO zelf ruik je nooit. "Het ruikt naar gas" wijst op een gaslek: aan aardgas is een geurstof toegevoegd. Ruik je een muffe, bedompte lucht, dan is het verstandig om CO te meten, want die lucht kan wijzen op te veel CO (zie 2.5).
NEN 8078 §5.1.2; Kleintje Gas §2.2.3, §2.2.4 en §3.1.4.
Je bloed vervoert zuurstof door je lichaam. Dat doet een stof in je rode bloedcellen: hemoglobine. Zie het als een vrachtwagen met plekken waar zuurstof op wordt geladen.
CO hecht zich ook aan die hemoglobine. Het probleem: CO bindt ruim 200 keer sterker dan zuurstof. Op een plek waar CO vastzit, kan geen zuurstof meer bij. Je ademt dus wel, maar je bloed neemt minder zuurstof op. Dat noemen we CO-vergiftiging.
Bij CO-vergiftiging spelen twee dingen een rol: hoeveel CO er in de lucht zit en hoe lang iemand die lucht inademt.
Kleintje Gas §3.1.4.
CO-vergiftiging begint licht en wordt steeds erger. De klachten komen in deze volgorde (zie figuur 2.1):
Bij lage concentraties lijken de klachten op griep: lichte hoofdpijn, misselijk zijn, overgeven en moe zijn. Daardoor worden ze vaak niet herkend als CO-vergiftiging. Bij een hoge concentratie gaat het snel: bewusteloosheid, coma, blijvende hersenschade en de dood.
Hoofdpijn is meestal het eerste signaal. Overlijden is het laatste. Bewusteloosheid komt na duizeligheid en in elkaar zakken.
Kleintje Gas §3.1.4.
De hoeveelheid CO in lucht meet je in ppm (parts per million, delen per miljoen). 1 ppm betekent: 1 deeltje CO op elk miljoen deeltjes lucht.
De tabel in figuur 2.2 laat zien hoe snel klachten komen bij een bepaalde concentratie. Lees hem zo: hoe hoger de concentratie, hoe sneller en hoe zwaarder de klachten.
Dodelijk binnen 1 tot 3 minuten
1Dodelijk binnen 30 minuten
5 tot 10Snel dodelijk
15Bewusteloos, stuiptrekkingen, ademhaling valt uit; waarschijnlijk dodelijk binnen een paar uur
30 tot 45Hoofdpijn, verward, in elkaar zakken, flauwvallen bij inspanning; mogelijk dodelijk als je er blijft
60 tot 120Kortademig bij matige inspanning, af en toe hoofdpijn met kloppingen in de slaap
120Hoofdpijn, prikkelbaar, snel moe, slechter kunnen nadenken, mogelijk duizelig, minder goed zien
120Kortademig bij zware inspanning, mogelijk een gespannen gevoel op het voorhoofd
(geen tijd genoemd)Balken niet op schaal: hoe langer, hoe meer CO. 12.800 ppm is ruim 180 keer zoveel CO als 70 ppm.
Kleintje Gas §3.1.4.
Je meet zelden precies een getal uit de tabel. Dan kijk je naar de rijen erboven en eronder.
Voorbeeld. Je meet 2.500 ppm.
Stap 1: zoek de rij erboven: 3.200 ppm, dodelijk binnen 30 minuten, klachten na 5 tot 10 minuten.
Stap 2: zoek de rij eronder: 1.950 ppm, snel dodelijk, klachten na 15 minuten.
Stap 3: 2.500 ppm ligt daartussen. Klachten komen dus binnen ongeveer 5 tot 15 minuten, en de situatie is levensgevaarlijk.
Voorbeeld 2. Je meet 1.000 ppm. Dat valt binnen de rij 800 tot 1.220 ppm: na 30 tot 45 minuten kan iemand bewusteloos raken.
Schuif daarna zelf naar een andere meetwaarde.
Schuif de meetwaarde en lees de tijd af.
Ook een korte tijd in hoge CO is al zeer gevaarlijk. Daarom moet je CO snel opsporen.
Kleintje Gas §3.1.4.
Elk jaar overlijden in Nederland ongeveer 10 mensen aan CO-vergiftiging. Veel meer mensen moeten naar het ziekenhuis. De echte aantallen zijn waarschijnlijk hoger, omdat niet elk ongeval herkend wordt als CO-ongeval.
Het risico is groter dan vroeger, omdat woningen luchtdichter zijn geworden.
VroegerVroeger werd niet kierdicht gebouwd.
NuDoor na-isolatie zijn kieren en naden vaak verdwenen.
Daardoor is de kans op te hoge concentraties CO in huis groter.
Het grootste risico zit bij open toestellen: een afvoerloos toestel (type A) en een open toestel met afvoer en trekonderbreker (type B11) halen hun verbrandingslucht uit de ruimte waarin ze staan, een gesloten toestel (type C) haalt lucht van buiten (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.6 en 1.7).
Kom je zo'n toestel tegen, beoordeel dan of toestel en opstellingsruimte samen veilig zijn (zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.8). Jaarlijks onderhoud en een CO-melder zijn dan sterk aan te raden.
Kleintje Gas §2.4.1, §3.1.4 en §9.3.5.
Tik de klachten aan van licht naar zwaar. Begin met de eerste klacht.
Bewoners zeggen zelden "ik denk dat ik CO inadem". Ze vertellen over klachten. Let op deze signalen:
Lijkt het op griep, maar komt het steeds terug en alleen thuis? Denk dan aan CO.
Kom je binnen en valt je dit op, dan is het verstandig om CO te meten:
een bedompte of muffe lucht;
een hoge luchtvochtigheid (beslagen ramen, vochtige muren);
bewoners die klagen over vaak hoofdpijn of steeds moe zijn, terwijl ze buiten nergens last van hebben.
Ook jij kunt CO binnenkrijgen. Je merkt het niet aan de lucht. Wel kun je dezelfde klachten krijgen: hoofdpijn, misselijk, benauwd of duizelig tijdens je werk. Wacht daar niet op.
Je persoonlijke CO-melder draag je daarom altijd, op borsthoogte, zodat hij je op tijd waarschuwt. Denk je dat er giftige lucht in een ruimte hangt? Blijf dan buiten.
Wat je daarna precies doet (ventileren, bewoners naar buiten, 112 bellen), staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.
Kleintje Gas §3.1.4.
Bij te veel CO zit de oorzaak meestal op een van deze drie plekken (zie figuur 2.3):
Tik een oorzaak aan: de plek licht op in de tekening.
En kijk ook naar:
Zoek je de oorzaak, loop dan deze drie langs. Elk verbrandingstoestel is een mogelijke CO-bron.
Kijk kritisch naar het toestel, zeker bij een open toestel zoals een geiser, kachel of oude ketel.
De vlam. Kijk ook naar de waakvlam: die laat hetzelfde zien (figuur 2.4).
Geel-oranje vlam = zuurstoftekort = kans op CO.
Blauwe vlam = goede verbranding.
Corrosie, roest of roet. Zie je dat, dan is het toestel waarschijnlijk in slechte staat. Zo'n toestel brandt vaak slecht.
De rookgasafvoer. Is die goed aangelegd en is hij heel? Een losse, lekke of verkeerd gemonteerde afvoer laat rookgas in huis.
Damp op ramen of muren. Ramen of muren die beslaan kunnen erop wijzen dat de verbrandingsgassen niet goed worden afgevoerd. Bij de verbranding van gas ontstaat namelijk waterdamp.
Kleintje Gas §2.2.2, §2.4.1, §3.1.4, §4.2.3, §4.3.1, §9.3.4 en §9.3.5.
Figuur 2.4: getekend naar Kleintje Gas §3.1.4, afb. 3.2.
Bij open toestellen, met of zonder afvoer, gaat het vaak mis in een van deze situaties (zie figuur 2.5):
NEN 3028 tabel 1a; Kleintje Gas §2.4.1, §2.4.2, §2.4.3 en §4.3.1.
Bij een open toestel met trekonderbreker (een VATO, valwindafleider-trekonderbreker, zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.10) kan rookgas terugstromen de opstellingsruimte in. Dat gaat zo (zie figuur 2.6):
route rookgas (1 tot 5)daaltstijgt
Rookgas komt de ruimte in.
In de ruimte stijgt het gehalte aan waterdamp en CO2. Het gehalte aan zuurstof daalt.
Het toestel zuigt deze slechte lucht weer aan als verbrandingslucht.
Er is te weinig zuurstof, dus de verbranding wordt onvolledig.
Er ontstaat CO, die ook weer de ruimte in kan komen.
Terugstromend rookgas bederft de lucht dus al voordat er CO is: er komt CO2 en waterdamp bij en er blijft minder zuurstof over.
Daarom heeft een open toestel met VATO een TTB (thermische terugslagbeveiliging), die het toestel uitzet als er lang warm rookgas terugstroomt (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.10).
Wanneer stroomt rookgas lang terug? Bijvoorbeeld bij harde wind die tegendruk geeft, in combinatie met een uitmonding op een verkeerde plek.
De TTB mag nooit buiten werking worden gesteld, ook niet om een storing te verhelpen. Valt een toestel vaak uit op de TTB, zoek dan direct de oorzaak, waarschijnlijk in de rookgasafvoer, en los die op.
Kleintje Gas §4.3.1, §4.3.2 en §8.6.2.
Figuur 2.6: getekend naar Kleintje Gas §4.3.2, afb. 4.8.
Lekt er regelmatig rookgas uit het toestel of de afvoer de woning in, dan zie je vaak sporen (zie figuur 2.7). Let op:
bruine aanslag (verkleuring) op wanden en plafond, ook in de buurt van de rookgasafvoer. Kijk daarbij ook naar een afvoer die in een koof of kast is weggewerkt: bij de visuele controle van de afvoer let je op sporen van rookgaslekkage;
hoge luchtvochtigheid, zoals beslagen ramen en vochtige muren (rookgas bevat waterdamp);
vaak storing van het toestel doordat de TTB ingrijpt;
bij een toestel met ventilator (B22 of B23): vaak storing omdat het toestel te weinig lucht of rookgas verplaatst, en sporen van aantasting van materialen bij het toestel;
gezondheidsklachten bij de bewoners, zoals regelmatig hoofdpijn (zie 2.5).
Terugslag bij de VATO toon je aan met een koude spiegel (dauwspiegel) die beslaat, of met een CO2-meter of rookgasmeter: verhoogd CO2 naast de VATO betekent dat er rookgas ontsnapt (zie ook hoofdstuk 1, paragraaf 1.10).
Een HR-ketel voert condenswater af via een toestelsifon. Het water in die sifon houdt het rookgas van de ketel tegen. Is de sifon niet gevuld met water, dan kan rookgas via de condensafvoer de opstellingsruimte in komen.
Tik op Sifon leeg en kijk waar het rookgas heen gaat.
Daarom vul je de sifon voordat je het toestel inschakelt, en controleer je bij onderhoud of de sifons gevuld en schoon zijn. Zonder gevulde sifon stel je het toestel niet in bedrijf. Meer hierover in hoofdstuk 7, paragraaf 7.7 en hoofdstuk 9, paragraaf 9.5.
Kleintje Gas §3.1.4, §4.2.3, §4.3.1, §4.3.2, §8.6.2 en §9.3.4.
CO ontstaat niet alleen door het toestel. Ook de woning en de omgeving spelen mee. Dit zijn de factoren die je moet kennen (zie ook figuur 2.3).
Luchttoevoer ontbreekt of is dichtgemaakt. Controleer of de ventilatievoorzieningen er zijn en niet zijn dichtgestopt. Een open toestel krijgt anders te weinig lucht.
Na-isolatie. Na isoleren of nieuwe kozijnen zijn kieren dicht. Vroeger kwam daar ongemerkt genoeg lucht door, ook als er geen toevoerrooster was. Na de verbouwing niet meer. Bij vervanging van een toestel moet je de luchttoevoer daarom altijd opnieuw beoordelen.
Meerdere open toestellen. De luchttoevoer moet genoeg zijn voor alle verbrandingstoestellen in de ruimte, ook voor de toestellen die al stonden en niet worden vervangen.
Een woning met mechanische afzuiging (ook bij mechanische toe- en afvoer) en een open toestel met trekonderbreker (B11) is een gevaarlijke combinatie. De afzuiging maakt onderdruk en kan rookgas via de trekonderbreker naar binnen trekken. Bij mechanische afvoer zijn alleen een afvoerloze geiser (type A), een kooktoestel en een open toestel met ventilator (B22 of B23) toegestaan. Een B11 hoort alleen bij natuurlijke afvoer.
Hoe je de opstellingsruimte en het ventilatiesysteem beoordeelt en doorrekent, staat in hoofdstuk 4, paragraaf 4.5 tot en met 4.8.
De uitmonding is de plek waar het rookgas de afvoer verlaat, op het dak of in de gevel. Staat die op een verkeerde plek, dan kan wind tegendruk geven. Het rookgas stroomt dan terug, zoals je in 2.7 zag. De regels voor de uitmonding staan in hoofdstuk 6, paragraaf 6.2 tot en met 6.4.
In een flat of appartementencomplex kan CO ook uit een buurwoning komen. Vind je CO in de woning en is het eigen toestel in orde? Denk dan ook aan de buren.
Zoals in 2.4 gezegd: hoe luchtdichter de woning, hoe groter het risico op te veel CO en CO2 bij open toestellen.
Een lekke gasleiding geeft geen CO, maar explosiegevaar. Kort wat je moet weten: de leiding is gasdicht als er minder dan 5 dm3 per uur weglekt, en bij elk aangesloten toestel zit een bereikbare aansluitkraan (of een goedgekeurde kraan op het toestel zelf die als aansluitkraan dient). Een ongebruikt aansluitpunt is afgedopt. Hoe je de dichtheid controleert, staat in hoofdstuk 8, paragraaf 8.3 en hoofdstuk 9, paragraaf 9.3.
NEN 3028 tabel 1a; NEN 8078 §5.2, §5.2.2 en §5.2.3; Kleintje Gas §3.1.4, §4.3.1, §4.3.2, §8.6.2, §9.3.4 en §9.3.5.
Een woning en een toestel. Kies of het mag.
In de praktijk en op het examen krijg je een situatie: een woning, een toestel, klachten van bewoners, een meetwaarde. Werk dan steeds dezelfde volgorde af.
Eigen veiligheid eerst. Draag je je persoonlijke CO-melder? Hoor je een alarm of vermoed je giftige lucht, ga dan niet zomaar naar binnen (zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1).
Luister en kijk bij binnenkomst. Muffe lucht? Hoge luchtvochtigheid? Klachten van bewoners die thuis erger zijn dan buiten?
Welk toestel staat er? Open of gesloten? Afvoerloos (A), open met afvoer (B11, B22, B23) of gesloten (C)? Een open toestel vraagt extra aandacht.
Het toestel. Kleur van de vlam, roet, roest, corrosie. Is een beveiliging overbrugd? Valt het vaak uit op de TTB, kijk dan extra goed naar de afvoer.
De luchttoevoer. Is er een toevoeropening? Is die dichtgemaakt? Is de woning onlangs geïsoleerd?
De rookgasafvoer. Heel en goed gemonteerd? Bruine aanslag, verkleuring of vocht in de buurt? Is de sifon gevuld (bij een HR-ketel)? Waar zit de uitmonding?
De omgeving. Mechanische ventilatie, afzuigkap of badkamerventilator in combinatie met een open toestel? Gestapelde bouw met een mogelijke bron bij de buren?
Meten en handelen. Meet de CO in de ruimte en in het rookgas, en handel volgens de grenswaarden. Dat staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5 en hoofdstuk 8, paragraaf 8.7.
Een toestel waarbij te veel CO vrijkomt, mag je niet in bedrijf laten of in bedrijf stellen. Meer over de grenswaarden en het buiten bedrijf stellen in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5 en 3.6.
Meet je meer dan 20 ppm CO in een ruimte waar mensen kunnen zijn? Dan meld je dat direct aan de bewoner of gebruiker en de eigenaar.
Kun je de oorzaak niet wegnemen, dan meld je het daarna ook schriftelijk aan het bevoegd gezag (de gemeente) en de certificerende instelling. Dit heet getrapt melden.
Wat je doet tussen 5 en 20 ppm, en de volledige werkwijze, staat in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5 tot en met 3.7.
BRL 6000-25 §5.2.6 en §6.1; Kleintje Gas §3.1.4.
Je komt binnen in deze keuken met een open geiser. Tik alles aan wat een signaal van CO is of het risico op CO groter maakt. Daarna: Laat zien.
Je moet de eigenaar of bewoner kunnen uitleggen waarom CO gevaarlijk is en waarom alarmering belangrijk is. Deze punten neem je in je uitleg mee:
Je merkt CO niet. Geen geur, geen kleur, geen smaak. De eerste klachten lijken op griep.
Het kan snel gaan. Bij een hoge concentratie komen de klachten binnen enkele minuten en kan het binnen een half uur dodelijk zijn (tabel in figuur 2.2).
Open toestellen geven meer risico, zeker in een luchtdichte woning.
Onderhoud voorkomt CO. Periodiek onderhoud van het toestel en controle van de luchttoevoer en de rookgasafvoer verminderen het risico sterk.
Een CO-melder is een extra vangnet. Hang een CO-melder in of bij de ruimte met het toestel. Bij open toestellen is dat nog belangrijker. Maar een melder vervangt geen onderhoud of controle van toestel en afvoer. En een CO-melder is ook geen rookmelder.
Wat te doen bij een alarm: direct in veiligheid, ramen en deuren open, iedereen naar buiten. Is iemand onwel, bel dan 112. Blijft het alarm gaan, waarschuw dan de brandweer of de GGD. De oorzaak moet altijd gevonden worden (zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 en hoofdstuk 10, paragraaf 10.12).
Welke melder, waar je hem ophangt en hoe je hem controleert, staat in hoofdstuk 10, paragraaf 10.5 tot en met 10.11.
Kleintje Gas §2.4.1 en §3.1.4.
Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Oefen het herkennen: situaties, signalen en de barrieres tussen bron en bewoner. De stof van dit hoofdstuk in drie korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.