AType A
- Luchttoevoer
- uit de opstellingsruimte
- Rookgasafvoer
- geen afvoer, rookgas komt in de ruimte
- Open of gesloten
- open, afvoerloos
- Voorbeeld
- keukengeiser zonder afvoer, kooktoestel
Elk gastoestel doet hetzelfde: het verbrandt gas met lucht. Gaat dat goed, dan komt er onschuldig rookgas uit. Gaat het mis, dan ontstaat koolmonoxide (CO). In dit hoofdstuk leer je de basis die je bij elke ketel, geiser of haard nodig hebt: wat er in gas en lucht zit, wat er bij verbranding gebeurt, hoe je een toestel herkent aan zijn typeplaat en welke regels voor jouw werk gelden.
In de vakwereld schrijf je stoffen vaak als scheikundig symbool. Op je rookgasanalysemeter en in normen zie je ze steeds terug. Deze zes moet je kennen:
hoofdbestanddeel van aardgas, dit is wat er brandt
zit in lucht, nodig om te kunnen verbranden
zit in lucht en in aardgas, doet niet mee met de verbranding
ontstaat bij goede verbranding, zit in het rookgas
ontstaat bij verbranding, condenseert in een HR-ketel tot water
ontstaat bij slechte (onvolledige) verbranding, zeer giftig
CO = koolmonoxide (gevaarlijk). CO2 = kooldioxide (hoort in het rookgas).
Kleintje Gas §2.2.1, §2.2.2, §2.2.4, §2.2.6 en §3.1.4.
Lucht bestaat uit zuurstof (O2) en stikstof (N2); de verhouding zie je in de balk. Alleen de zuurstof doet mee aan de verbranding. De stikstof gaat er bij het toestel in en komt er vrijwel onveranderd weer uit, in het rookgas. Alleen een heel klein deel wordt stikstofoxide.
Aardgas is een mengsel. Het belangrijkste deel is methaan (CH4). Gronings aardgas bestaat uit:
In het rookgas zitten ook kooldioxide en waterdamp, zie figuur 1.1.
Het gas in het net komt nu uit meerdere bronnen, dus de samenstelling wisselt iets. De calorische waarde en de Wobbe-index (zie hoofdstuk 7, paragraaf 7.3) blijven binnen vaste grenzen. Huishoudens krijgen laagcalorisch gas (G-gas), vergelijkbaar met Gronings gas.
Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.2.1 en §2.2.2.
Bij verbranding reageert methaan met zuurstof. Er komt warmte vrij en er ontstaan kooldioxide en waterdamp. Als formule (zie figuur 1.1):
CH4 + 2 O2 → CO2 + 2 H2O
Bij dezelfde temperatuur en druk zitten in 1 m3 gas altijd evenveel moleculen. Daarom kun je het ook in kubieke meters lezen. Voor 1 m3 methaan heb je 2 m3 zuurstof nodig. Lucht bevat maar 21% zuurstof. Je hebt dus veel meer lucht nodig dan zuurstof:
2 m3 zuurstof x (100 / 21) = 9,52 m3 lucht voor 1 m3 methaan;
Wat er verder in en uit gaat, zie je in figuur 1.2.
Sleep de lucht naar te weinig en naar iets meer.
Meestal ligt de oorzaak bij het toestel zelf, bij de aanvoer van verbrandingslucht of bij de rookgasafvoer: daar is iets kapot of verkeerd.
Hoeveel CO er in het rookgas zit, zegt dus iets over hoe goed de verbranding is. Daarom meet je CO in het rookgas (zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.6).
In de praktijk geef je een toestel altijd iets meer lucht dan precies nodig is. Dat heet luchtovermaat. Zo weet je zeker dat alles verbrandt.
Kleintje Gas §2.2.2, §2.2.4 en §3.1.4.
Figuur 1.1: getekend naar Kleintje Gas, afb. 2.8 (§2.2.2).
Een modern toestel (met een kleine luchtovermaat) gebruikt per m3 aardgas ongeveer 10 m3 verbrandingslucht. Er is een makkelijke vuistregel van afgeleid:
een toestel heeft ongeveer 1 m3 lucht per uur nodig per kW belasting op bovenwaarde (Bs).
Rekenvoorbeeld. Een open geiser heeft een belasting van 20 kW op bovenwaarde.
Die lucht haalt een open toestel uit de ruimte. Komt er te weinig verse lucht binnen, dan verbrandt het gas onvolledig en ontstaat CO.
Bij een open toestel komt daar nog iets bij. Stroomt het rookgas terug de ruimte in, dan stijgen waterdamp en CO2 en daalt de zuurstof. Ook dan kan CO ontstaan. Een goede luchttoevoer en een goede afvoer zijn dus samen de basis van CO-veiligheid. De maten van de openingen lees je in hoofdstuk 4, paragraaf 4.7.
Kleintje Gas §2.2.3, §2.2.4 en §4.3.1.
Als gas verbrandt, ontstaat waterdamp. In die waterdamp zit nog warmte. Die warmte komt pas vrij als de damp weer water wordt (condenseert). Een HR-ketel doet dat: hij koelt het rookgas zo ver af dat de waterdamp condenseert, en wint zo extra warmte terug.
Daarom bestaan er twee manieren om de energie in gas te tellen:
Wat telt mee: alle warmte, inclusief de warmte uit het condenseren van de waterdamp
Gronings aardgas: 35,17 MJ/m3n
Wat telt mee: warmte zonder de condensatiewarmte
Gronings aardgas: 31,65 MJ/m3n
Onthoud het zo: Hs is altijd de grootste van de twee, omdat er meer warmte in is meegeteld.
De "m3n" betekent: een normaal-kubieke meter, dus gas gemeten bij 0 °C en 1013,25 mbar.
Belasting is hoeveel energie er per tijdseenheid met het gas het toestel in gaat, in kW. Ook die kun je op twee manieren opgeven:
Waarom is dit belangrijk voor jou? De Europese toestelnormen gaan uit van de onderwaarde (Bi). Maar het Bbl, de aangewezen NEN-normen en de NPR 3378 rekenen met de bovenwaarde (Bs). In NEN 3028 staat bij het begrip belasting dat je bij alle brandstoffen de bovenwaarde gebruikt. Rekenen aan ventilatieopeningen doe je dus altijd met Bs.
Bs = 1,11 x Bi.
Is alleen de belasting op onderwaarde gegeven, reken dan eerst om.
Rekenvoorbeeld. Op de typeplaat van een cv-ketel staat een belasting van 24 kW (op onderwaarde).
Bi = 24 kW.
Bs = 1,11 x 24 = 26,64 kW, afgerond 26,6 kW.
Met die 26,6 kW reken je verder, bijvoorbeeld voor de openingen van de opstellingsruimte (hoofdstuk 4, paragraaf 4.7) of de luchtbehoefte: ongeveer 27 m3 lucht per uur.
Reken je per ongeluk met Bi, dan worden de openingen te klein.
NEN 3028 §3.4; Kleintje Gas Voorwoord, Symbolenlijst, Begrippenlijst, §2.2.2, tabel 3.3 en tabel 3.4.
Op de typeplaat staat alleen de belasting op onderwaarde. Met welke belasting reken je de ventilatie uit?
Het grootste verschil tussen gastoestellen is: waar haalt het toestel zijn verbrandingslucht vandaan?
Open toestel: de verbrandingslucht komt rechtstreeks uit de ruimte waarin het toestel staat. Denk aan een geiser in de keuken of een oude cv-ketel met trekonderbreker. Het toestel "ademt" de lucht van de bewoners.
Gesloten toestel: de verbrandingslucht komt van buiten, via een eigen toevoer, in een afgesloten verbrandingsruimte. Het rookgas gaat via een dichte afvoer weer naar buiten. Het toestel staat dus los van de lucht in de ruimte. Een cv-ketel met een concentrische dakdoorvoer (type C33, zie paragraaf 1.9) is een gesloten toestel.
Een open toestel hangt af van genoeg verse lucht in de ruimte en van een goed werkende afvoer. Open toestellen zonder afvoer en open toestellen met afvoer en trekonderbreker geven daarom een groter risico op CO-vergiftiging dan gesloten toestellen. Open toestellen zijn niet verboden, maar de overheid raadt ze sterk af. Behalve het gasfornuis kom je ze alleen nog beperkt in bestaande bouw tegen.
Drie gevaarlijke situaties bij open toestellen zijn:
een ruimte zonder ventilatie,
te veel weerstand in de rookgasafvoer,
en onderdruk in de ruimte door mechanische ventilatie met te weinig luchttoevoer.
Die drie situaties lees je in hoofdstuk 2, paragraaf 2.6.
Tref je een open toestel aan, dan is een risicoanalyse van het toestel in zijn opstellingsruimte zeer gewenst. Jaarlijks onderhoud en een CO-melder zijn sterk aan te raden.
NEN 3028 §3.20 en §3.34; Kleintje Gas §2.4.1, §2.4.2, §2.4.3, §2.4.5, §3.1.1 en §4.3.1.
Op de typeplaat van elk toestel met CE-markering staat een letter. Die letter vertelt hoe lucht en rookgas lopen (zie figuur 1.3).
Ezelsbrug: A = Afvoerloos. B = Binnenlucht, maar met afvoer. C = alles dicht (gesloten).
Nieuwe type A-toestellen hebben een atmosfeerbeveiliging (in de typecode de letters AS).
Kleintje Gas §2.3.2, §2.4.2, §3.1.1 en §3.2.3.
Figuur 1.3: getekend naar Kleintje Gas, afb. 2.13 en 2.20 (type A), afb. 2.21 (geiser met VATO), afb. 2.14 (B23 en C13), afb. 2.22 (geveldoorvoer) en afb. 2.23/2.26 (C33) (§2.3.2 en §2.4).
Achter de letter staan cijfers en soms kleine letters. Zo lees je ze.
Type B: twee cijfers.
Voorbeelden:
Het eerste cijfer zegt of er een trekonderbreker (VATO, zie paragraaf 1.10) op zit:
Het tweede cijfer zegt of er een ventilator is en waar:
Kleine letters achter de code geven een beveiliging aan:
een B11 werkt alleen als de schoorsteen kan trekken. Onderdruk door mechanische afzuiging kan het rookgas via de trekonderbreker naar binnen halen (zie paragraaf 1.6 en hoofdstuk 4, paragraaf 4.5).
NPR 3378-60 §5.3.1; Kleintje Gas §2.3.2, §3.1.2 en §4.3.1.
Een type C heeft ook twee cijfers.
Zo lees je een code (zie figuur 1.5): de letter A, B of C (open of gesloten), het eerste cijfer (bij B de trekonderbreker, bij C de manier van aansluiten), het tweede cijfer (natuurlijke trek of een ventilator, en waar die zit) en de kleine letters (welke beveiliging er is: BS, AS).
Kies een code en lees hem af. De regels van die code lichten op.
Het eerste cijfer zegt hoe het toestel op lucht en afvoer is aangesloten (zie ook figuur 1.4):
De cijfers 2, 7 en 11 kom je in Nederland niet tegen.
Het tweede cijfer werkt hetzelfde als bij type B, maar kent alleen 1, 2 en 3:
Bij cv-ketels zie je vooral C13, C33 en C63. Een C63 mag worden aangesloten op afvoermateriaal dat apart is gekeurd en los wordt verkocht. Welk materiaal en welke uitmonding precies mogen, staat in de instructies van de fabrikant.
Een C11 kom je tegen bij een gevelkachel: een gesloten kachel die lucht en rookgas via de buitenmuur uitwisselt, zonder ventilator.
De toestelcode staat op de typeplaat. Hoe je de hele typeplaat leest, zie je in hoofdstuk 7, paragraaf 7.4 (figuur 7.2).
Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.3.1, §2.3.2, §2.4.4 en §2.4.5.
Figuur 1.4: getekend naar Kleintje Gas, afb. 2.14 (§2.3.2).
Je leest een omschrijving. Kies de code.
Bij open toestellen met een afvoer (type B11) kom je twee onderdelen tegen die je moet kennen.
VATO staat voor valwindafleider-trekonderbreker. De VATO heeft drie taken:
extra sterke trek in de schoorsteen heeft geen invloed op de vlam;
een (tijdelijke) valwind, dus wind die de schoorsteen in blaast, verstoort het toestel niet;
vuil uit de afvoer valt niet op de warmtewisselaar.
Een toestel met VATO haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte waar het staat. In die ruimte hoort dus een luchttoevoeropening.
TTB staat voor thermische terugslagbeveiliging, ook afvoerbeveiliging genoemd. Werkt de afvoer niet goed, dan stroomt rookgas via de VATO terug de ruimte in, met kans op CO (zie paragraaf 1.4).
Zo werkt de TTB (zie figuur 1.6):
Tik op Terugslag en kijk wat de TTB doet.
Heeft een huishoudelijk toestel een VATO en is het na 1986 gebouwd, dan zit er altijd een TTB in (code BS). Een B22 of B23 heeft geen VATO.
je zet een TTB nooit buiten werking, ook niet om van een storing af te zijn. Gaat een toestel regelmatig uit op de TTB, dan kan dat wijzen op een gebrekkige rookgasafvoer. Ga meteen op zoek naar de oorzaak en laat het gebrek verhelpen. Bij onderhoud kijk je altijd na of er geen beveiliging is overbrugd, zoals de TTB of een luchtdrukschakelaar.
Wil je zien of er rookgas terugslaat bij de VATO? Houd er een dauwspiegel bij (die beslaat door de waterdamp in het rookgas) of meet met een CO2-meter.
Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.3.2, §2.4.3, §4.3.1, §4.3.2 en §8.6.2.
Figuur 1.6: getekend naar Kleintje Gas, afb. 4.8 (§4.3.2) en afb. 2.21 (§2.4.3).
Het Bbl bevat de wettelijke eisen aan gasinstallaties, onder meer over de plaats van het toestel, ventilatie, verbrandingslucht en rookgasafvoer. Dit zijn de (prestatie-)eisen waar de NPR naar verwijst. Het Bbl wijst daarnaast NEN-normen aan, zoals NEN 1078, NEN 1087, NEN 2757, NEN 3028 en NEN 8078. Ook voor bestaande bouw staan er eisen in het Bbl.
Een NEN-norm geeft eisen en rekenmethoden. Voorbeeld: NEN 3028 geeft hoe groot de ventilatieopeningen van een opstellingsruimte moeten zijn. NEN 2757 geeft hoe je bepaalt of een rookgasafvoer goed werkt.
NPR staat voor Nederlandse Praktijkrichtlijn. Voor gasinstallaties is dat de reeks NPR 3378. Een NPR geeft voorbeelden van uitvoeringen die in de praktijk werken. Belangrijk:
Sinds 1 april 2023 geldt de regeling voor gasverbrandingsinstallaties, de "gasketelwet". Wie werkt aan gastoestellen voor verwarming of warm water, moet gecertificeerd zijn. Het bedrijf heeft een bedrijfscertificaat nodig, de monteur het Bewijs van Vakmanschap CO.
De eisen aan het bedrijf staan in de BRL 6000-25 (beoordelingsrichtlijn). Die gaat over werk aan A-, B- en C-toestellen voor verwarming en warm water tot 100 kW nominaal vermogen, met hun luchttoevoer en rookgasafvoer: installeren, repareren, onderhouden en in bedrijf stellen. Het doel is te voorkomen dat CO ontstaat en zich verspreidt.
Een paar eisen gaan verder dan de wet, zoals het plaatsen van CO-melders en de sticker; die zijn gemarkeerd met (BW).
Twee BRL-plichten heb je bij elke klus.
Constateer je dat er te veel CO vrijkomt in een ruimte waar mensen kunnen zijn, dan moet je dat melden (hoe en aan wie, lees je in hoofdstuk 3, paragraaf 3.7).
En van elke controle leg je vast
Een bestaande gasinstallatie die niet is veranderd, moet voldoen aan de regels die golden toen hij werd aangelegd.
Vervang of verander je een deel, dan gelden voor dat deel de eisen voor nieuwbouw.
Een uitzondering: een rookgasafvoer die in overdruk werkt, moet ook in bestaande bouw even lekdicht zijn als bij nieuwbouw.
NEN 3028 §3.4; NPR 3378-60 Voorwoord; BRL 6000-25 §1.1, §1.3, §2.1, §5.3 en §6.1; Kleintje Gas §1.1.1 en §1.1.2.
Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.
Herken de toesteltypen en de code op de sticker, en zie wat er bij de verbranding gebeurt. De stof van dit hoofdstuk in twee korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.