Terug naar de app Terug naar de app
PractiQ
CO-verlenging · Hoofdstuk 1
01 · De basis

Gas, lucht en verbranding

Elk gastoestel doet hetzelfde: het verbrandt gas met lucht. Gaat dat goed, dan komt er onschuldig rookgas uit. Gaat het mis, dan ontstaat koolmonoxide (CO). In dit hoofdstuk leer je de basis die je bij elke ketel, geiser of haard nodig hebt: wat er in gas en lucht zit, wat er bij verbranding gebeurt, hoe je een toestel herkent aan zijn typeplaat en welke regels voor jouw werk gelden.

Scroll om te beginnen
Doelen7 doelen

Na dit hoofdstuk kun je:

  • de stoffen CO, CO2, O2, N2, CH4 en H2O bij naam en symbool noemen;
  • uitleggen wat er in lucht en aardgas zit en wat er bij verbranding gebeurt;
  • uitleggen waarom een toestel genoeg verbrandingslucht nodig heeft en wanneer er CO ontstaat;
  • de belasting op onderwaarde (Bi) omrekenen naar de belasting op bovenwaarde (Bs);
  • aan de code op de typeplaat zien of een toestel open of gesloten is en hoe lucht en rookgas lopen (A, B11, B23, C13, C33 en meer);
  • uitleggen wat een VATO en een TTB doen;
  • het verschil uitleggen tussen het Bbl, een NEN-norm, een NPR en de BRL 6000-25.
1.1 Stoffen

Stoffen en hun symbolen

In de vakwereld schrijf je stoffen vaak als scheikundig symbool. Op je rookgasanalysemeter en in normen zie je ze steeds terug. Deze zes moet je kennen:

  • CH4methaan

    hoofdbestanddeel van aardgas, dit is wat er brandt

  • O2zuurstof

    zit in lucht, nodig om te kunnen verbranden

  • N2stikstof

    zit in lucht en in aardgas, doet niet mee met de verbranding

  • CO2kooldioxide

    ontstaat bij goede verbranding, zit in het rookgas

  • H2Owaterdamp

    ontstaat bij verbranding, condenseert in een HR-ketel tot water

  • COkoolmonoxide

    ontstaat bij slechte (onvolledige) verbranding, zeer giftig

C koolstofH waterstofO zuurstofN stikstof
Onthoud

CO = koolmonoxide (gevaarlijk). CO2 = kooldioxide (hoort in het rookgas).

Bron

Kleintje Gas §2.2.1, §2.2.2, §2.2.4, §2.2.6 en §3.1.4.

1.2 Samenstelling

Wat zit er in lucht en in aardgas?

Lucht bestaat uit zuurstof (O2) en stikstof (N2); de verhouding zie je in de balk. Alleen de zuurstof doet mee aan de verbranding. De stikstof gaat er bij het toestel in en komt er vrijwel onveranderd weer uit, in het rookgas. Alleen een heel klein deel wordt stikstofoxide.

Aardgas is een mengsel. Het belangrijkste deel is methaan (CH4). Gronings aardgas bestaat uit:

Lucht, ongeveer
  • 21% zuurstof (O2)doet mee
  • 79% stikstof (N2)doet niet mee
Gronings aardgas
  • 81,3% methaan (CH4)brandt
  • 3,5% hogere koolwaterstoffen (zoals ethaan en propaan)
  • 14,3% stikstof (N2)
  • 0,9% kooldioxide (CO2)
LUCHT ERIN ROOKGAS zuurstof verbruikt in de vlam stikstof stikstof, onveranderd

In het rookgas zitten ook kooldioxide en waterdamp, zie figuur 1.1.

Schets 1.2Lucht en aardgas

Het gas in het net komt nu uit meerdere bronnen, dus de samenstelling wisselt iets. De calorische waarde en de Wobbe-index (zie hoofdstuk 7, paragraaf 7.3) blijven binnen vaste grenzen. Huishoudens krijgen laagcalorisch gas (G-gas), vergelijkbaar met Gronings gas.

Bron

Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.2.1 en §2.2.2.

1.3 Verbranding

Wat gebeurt er bij verbranding?

Bij verbranding reageert methaan met zuurstof. Er komt warmte vrij en er ontstaan kooldioxide en waterdamp. Als formule (zie figuur 1.1):

CH4 + 2 O2 → CO2 + 2 H2O

VOOR NA 1 deel methaan 2 delen zuurstof + 1 deel kooldioxide 2 delen waterdamp warmte
C koolstofH waterstofO zuurstof
Figuur 1.1 Verbranding van methaan: 1 molecuul CH4 en 2 moleculen O2 worden 1 molecuul CO2 en 2 moleculen H2O, en er komt warmte vrij.

Bij dezelfde temperatuur en druk zitten in 1 m3 gas altijd evenveel moleculen. Daarom kun je het ook in kubieke meters lezen. Voor 1 m3 methaan heb je 2 m3 zuurstof nodig. Lucht bevat maar 21% zuurstof. Je hebt dus veel meer lucht nodig dan zuurstof:

2 m3 zuurstof x (100 / 21) = 9,52 m3 lucht voor 1 m3 methaan;

Wat er verder in en uit gaat, zie je in figuur 1.2.

Volledige verbranding betekent: al het gas is helemaal omgezet in CO2 en waterdamp. Er blijft niets half verbrand over.
Onvolledige verbranding betekent: een deel van het gas is maar half verbrand. Dat gebeurt bij luchttekort (te weinig verbrandingslucht bij de brander) of bij een slecht verlopende verbranding.
1 m3 methaan (CH4)het gas
9,52 m3 lucht= 2 m3 zuurstof (O2)+ 7,52 m3 stikstof (N2)(lucht: 21% O2, 79% N2)
ERIN ERUIT brander
Genoeg lucht:1 m3 kooldioxide (CO2)2 m3 waterdamp (H2O)7,52 m3 stikstof (N2)(stikstof doet niet mee)+ warmte
Te weinig lucht of slechte verbranding:er ontstaat ook CO
Lucht naar de brander
te weinigpreciesiets meer
Sleep

Sleep de lucht naar te weinig en naar iets meer.

Figuur 1.2 Verbranding in en uit: bij genoeg lucht komen er CO2, waterdamp, stikstof en warmte uit; bij te weinig lucht of een slechte verbranding ontstaat ook CO.

Meestal ligt de oorzaak bij het toestel zelf, bij de aanvoer van verbrandingslucht of bij de rookgasafvoer: daar is iets kapot of verkeerd.

Hoeveel CO er in het rookgas zit, zegt dus iets over hoe goed de verbranding is. Daarom meet je CO in het rookgas (zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.6).

In de praktijk geef je een toestel altijd iets meer lucht dan precies nodig is. Dat heet luchtovermaat. Zo weet je zeker dat alles verbrandt.

Bron

Kleintje Gas §2.2.2, §2.2.4 en §3.1.4.

Figuur 1.1: getekend naar Kleintje Gas, afb. 2.8 (§2.2.2).

1.4 Verbrandingslucht

Waarom genoeg verbrandingslucht nodig is

Een modern toestel (met een kleine luchtovermaat) gebruikt per m3 aardgas ongeveer 10 m3 verbrandingslucht. Er is een makkelijke vuistregel van afgeleid:

Onthoud

een toestel heeft ongeveer 1 m3 lucht per uur nodig per kW belasting op bovenwaarde (Bs).

Rekenvoorbeeld. Een open geiser heeft een belasting van 20 kW op bovenwaarde.

VERSE LUCHT geiser open 20 kW x 1 m³/h = 20 m³ lucht per uur.
Belasting op bovenwaarde20 kW
5 kW20 kW: voorbeeld40 kW
Sleep
Schets 1.4Lucht per uur

Die lucht haalt een open toestel uit de ruimte. Komt er te weinig verse lucht binnen, dan verbrandt het gas onvolledig en ontstaat CO.

Bij een open toestel komt daar nog iets bij. Stroomt het rookgas terug de ruimte in, dan stijgen waterdamp en CO2 en daalt de zuurstof. Ook dan kan CO ontstaan. Een goede luchttoevoer en een goede afvoer zijn dus samen de basis van CO-veiligheid. De maten van de openingen lees je in hoofdstuk 4, paragraaf 4.7.

Bron

Kleintje Gas §2.2.3, §2.2.4 en §4.3.1.

1.5 Energie

Bovenwaarde en onderwaarde: Hs, Hi, Bs en Bi

Als gas verbrandt, ontstaat waterdamp. In die waterdamp zit nog warmte. Die warmte komt pas vrij als de damp weer water wordt (condenseert). Een HR-ketel doet dat: hij koelt het rookgas zo ver af dat de waterdamp condenseert, en wint zo extra warmte terug.

Daarom bestaan er twee manieren om de energie in gas te tellen:

Hscalorische bovenwaarde

Wat telt mee: alle warmte, inclusief de warmte uit het condenseren van de waterdamp

Gronings aardgas: 35,17 MJ/m3n

Hicalorische onderwaarde

Wat telt mee: warmte zonder de condensatiewarmte

Gronings aardgas: 31,65 MJ/m3n

warmte uit de verbrandingcondensatiewarmte

Onthoud het zo: Hs is altijd de grootste van de twee, omdat er meer warmte in is meegeteld.

Schets 1.5Twee manieren van tellen

De "m3n" betekent: een normaal-kubieke meter, dus gas gemeten bij 0 °C en 1013,25 mbar.

Belasting is hoeveel energie er per tijdseenheid met het gas het toestel in gaat, in kW. Ook die kun je op twee manieren opgeven:

  • Bs = belasting op bovenwaarde;
  • Bi = belasting op onderwaarde.

Waarom is dit belangrijk voor jou? De Europese toestelnormen gaan uit van de onderwaarde (Bi). Maar het Bbl, de aangewezen NEN-normen en de NPR 3378 rekenen met de bovenwaarde (Bs). In NEN 3028 staat bij het begrip belasting dat je bij alle brandstoffen de bovenwaarde gebruikt. Rekenen aan ventilatieopeningen doe je dus altijd met Bs.

Onthoud

Bs = 1,11 x Bi.

Is alleen de belasting op onderwaarde gegeven, reken dan eerst om.

Rekenvoorbeeld. Op de typeplaat van een cv-ketel staat een belasting van 24 kW (op onderwaarde).

  1. Bi = 24 kW.

  2. Bs = 1,11 x 24 = 26,64 kW, afgerond 26,6 kW.

  3. Met die 26,6 kW reken je verder, bijvoorbeeld voor de openingen van de opstellingsruimte (hoofdstuk 4, paragraaf 4.7) of de luchtbehoefte: ongeveer 27 m3 lucht per uur.

Reken je per ongeluk met Bi, dan worden de openingen te klein.

Bron

NEN 3028 §3.4; Kleintje Gas Voorwoord, Symbolenlijst, Begrippenlijst, §2.2.2, tabel 3.3 en tabel 3.4.

Check

Reken om

Op de typeplaat staat alleen de belasting op onderwaarde. Met welke belasting reken je de ventilatie uit?

1.6 Open of gesloten

Open en gesloten toestellen

Het grootste verschil tussen gastoestellen is: waar haalt het toestel zijn verbrandingslucht vandaan?

Open toestel: de verbrandingslucht komt rechtstreeks uit de ruimte waarin het toestel staat. Denk aan een geiser in de keuken of een oude cv-ketel met trekonderbreker. Het toestel "ademt" de lucht van de bewoners.

Gesloten toestel: de verbrandingslucht komt van buiten, via een eigen toevoer, in een afgesloten verbrandingsruimte. Het rookgas gaat via een dichte afvoer weer naar buiten. Het toestel staat dus los van de lucht in de ruimte. Een cv-ketel met een concentrische dakdoorvoer (type C33, zie paragraaf 1.9) is een gesloten toestel.

Schets 1.6Open tegenover gesloten

Een open toestel hangt af van genoeg verse lucht in de ruimte en van een goed werkende afvoer. Open toestellen zonder afvoer en open toestellen met afvoer en trekonderbreker geven daarom een groter risico op CO-vergiftiging dan gesloten toestellen. Open toestellen zijn niet verboden, maar de overheid raadt ze sterk af. Behalve het gasfornuis kom je ze alleen nog beperkt in bestaande bouw tegen.

Drie gevaarlijke situaties bij open toestellen zijn:

een ruimte zonder ventilatie,

te veel weerstand in de rookgasafvoer,

en onderdruk in de ruimte door mechanische ventilatie met te weinig luchttoevoer.

Die drie situaties lees je in hoofdstuk 2, paragraaf 2.6.

Open toestel aangetroffen?

Tref je een open toestel aan, dan is een risicoanalyse van het toestel in zijn opstellingsruimte zeer gewenst. Jaarlijks onderhoud en een CO-melder zijn sterk aan te raden.

Bron

NEN 3028 §3.20 en §3.34; Kleintje Gas §2.4.1, §2.4.2, §2.4.3, §2.4.5, §3.1.1 en §4.3.1.

1.7 Typen

De hoofdtypen A, B en C

Op de typeplaat van elk toestel met CE-markering staat een letter. Die letter vertelt hoe lucht en rookgas lopen (zie figuur 1.3).

Ezelsbrug: A = Afvoerloos. B = Binnenlucht, maar met afvoer. C = alles dicht (gesloten).

AType A

afvoerloos
Luchttoevoer
uit de opstellingsruimte
Rookgasafvoer
geen afvoer, rookgas komt in de ruimte
Open of gesloten
open, afvoerloos
Voorbeeld
keukengeiser zonder afvoer, kooktoestel

BType B

B11 met VATO, natuurlijke trek
B23 ventilator, geen VATO
Luchttoevoer
uit de opstellingsruimte
Rookgasafvoer
wel een afvoer naar buiten
Open of gesloten
open, afvoergebonden
Voorbeeld
geiser of ketel met trekonderbreker op een schoorsteen

CType C

C13 gesloten, door de gevel
C33 gesloten, door het dak
Luchttoevoer
van buiten
Rookgasafvoer
wel een afvoer naar buiten
Open of gesloten
gesloten
Voorbeeld
HR-ketel met gevel- of dakdoorvoer
verse luchtrookgasventilator (bij B23, C13, C33 in de luchttoevoer)dik omrand: gesloten
Figuur 1.3 Waar komt de lucht vandaan en waar gaat het rookgas heen?

Nieuwe type A-toestellen hebben een atmosfeerbeveiliging (in de typecode de letters AS).

Bron

Kleintje Gas §2.3.2, §2.4.2, §3.1.1 en §3.2.3.

Figuur 1.3: getekend naar Kleintje Gas, afb. 2.13 en 2.20 (type A), afb. 2.21 (geiser met VATO), afb. 2.14 (B23 en C13), afb. 2.22 (geveldoorvoer) en afb. 2.23/2.26 (C33) (§2.3.2 en §2.4).

1.8 Toestelcode

De cijfers en letters achter A en B

Achter de letter staan cijfers en soms kleine letters. Zo lees je ze.

Type B: twee cijfers.

LetterB
Eerste cijfer1
Tweede cijfer1
Kleine lettersBS

Voorbeelden:

  • B11BS = open toestel met VATO, natuurlijke trek, zonder ventilator, met TTB (bijvoorbeeld een oude geiser).
  • B11: open toestel met trekonderbreker en natuurlijke afvoer, zonder ventilator. Het rookgas gaat alleen door de trek van de schoorsteen naar buiten. De klassieke geiser of oude ketel op een schoorsteen.
  • B22: open toestel zonder trekonderbreker, met een ventilator in de afvoer.
  • B23: open toestel zonder trekonderbreker, met een ventilator in de luchttoevoer.

Het eerste cijfer zegt of er een trekonderbreker (VATO, zie paragraaf 1.10) op zit:

  • 1 = met trekonderbreker/valwindafleider;
  • 2 = zonder trekonderbreker/valwindafleider.

Het tweede cijfer zegt of er een ventilator is en waar:

  • 1 = natuurlijke afvoer, geen ventilator;
  • 2 = ventilator in de rookgasafvoer;
  • 3 = ventilator in de luchttoevoer;
  • 4 = ventilator in de rookgasafvoer, achter de valwindafleider (dus verderop in de afvoer).

Kleine letters achter de code geven een beveiliging aan:

  • BS (bijvoorbeeld B11BS): het toestel heeft een afvoerbeveiliging, de TTB (zie paragraaf 1.10);
  • AS (bijvoorbeeld A1AS): afvoerloos toestel met atmosfeerbeveiliging.
Figuur 1.5 Zo lees je de toestelcode, met B11BS en C33 als voorbeeld.
Let op

een B11 werkt alleen als de schoorsteen kan trekken. Onderdruk door mechanische afzuiging kan het rookgas via de trekonderbreker naar binnen halen (zie paragraaf 1.6 en hoofdstuk 4, paragraaf 4.5).

Bron

NPR 3378-60 §5.3.1; Kleintje Gas §2.3.2, §3.1.2 en §4.3.1.

1.9 Toestelcode

De cijfers achter C

Een type C heeft ook twee cijfers.

  • luchttoevoer rookgasafvoer buis in buis (concentrisch)
Figuur 1.4 Gesloten toestellen in een woning: C13 door de gevel, C33 door het dak, C43 op CLV-kanalen, C53 met lucht en afvoer in een ander drukgebied, C83 op een half-CLV, C93 op een bestaand kanaal, en ter vergelijking een open B23. Alle toestellen hier hebben een ventilator; het tweede cijfer zegt waar hij zit (3 = in de luchttoevoer).

Zo lees je een code (zie figuur 1.5): de letter A, B of C (open of gesloten), het eerste cijfer (bij B de trekonderbreker, bij C de manier van aansluiten), het tweede cijfer (natuurlijke trek of een ventilator, en waar die zit) en de kleine letters (welke beveiliging er is: BS, AS).

Kies een code en lees hem af. De regels van die code lichten op.

LetterC
Eerste cijfer3
Tweede cijfer3

Het eerste cijfer zegt hoe het toestel op lucht en afvoer is aangesloten (zie ook figuur 1.4):

CijferBetekenis
  • 1horizontale geveldoorvoer (door de muur)
  • 3verticale dakdoorvoer (door het dak)
  • 4voor een CLV-systeem (gemeenschappelijk kanaal voor luchttoevoer en voor rookgasafvoer, waar meerdere gesloten toestellen op zitten)
  • 5luchtinlaat en uitmonding liggen in verschillende drukgebieden
  • 6aangesloten op een universele dak- of muurdoorvoer
  • 8voor een half-CLV-systeem
  • 9luchttoevoer via een bestaand bouwkundig kanaal
  • 10voor een CLV-overdruksysteem
  • 12voor een half-CLV-overdruksysteem

De cijfers 2, 7 en 11 kom je in Nederland niet tegen.

Het tweede cijfer werkt hetzelfde als bij type B, maar kent alleen 1, 2 en 3:

  • 1 = natuurlijke afvoer, geen ventilator;
  • 2 = ventilator in de rookgasafvoer;
  • 3 = ventilator in de luchttoevoer.
Figuur 1.5 (vervolg) De toestelcode C33.

Bij cv-ketels zie je vooral C13, C33 en C63. Een C63 mag worden aangesloten op afvoermateriaal dat apart is gekeurd en los wordt verkocht. Welk materiaal en welke uitmonding precies mogen, staat in de instructies van de fabrikant.

Een C11 kom je tegen bij een gevelkachel: een gesloten kachel die lucht en rookgas via de buitenmuur uitwisselt, zonder ventilator.

De toestelcode staat op de typeplaat. Hoe je de hele typeplaat leest, zie je in hoofdstuk 7, paragraaf 7.4 (figuur 7.2).

Bron

Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.3.1, §2.3.2, §2.4.4 en §2.4.5.

Figuur 1.4: getekend naar Kleintje Gas, afb. 2.14 (§2.3.2).

Check

Welke code hoort erbij?

Je leest een omschrijving. Kies de code.

1.10 Beveiliging

VATO en TTB

Bij open toestellen met een afvoer (type B11) kom je twee onderdelen tegen die je moet kennen.

VATO staat voor valwindafleider-trekonderbreker. De VATO heeft drie taken:

extra sterke trek in de schoorsteen heeft geen invloed op de vlam;

een (tijdelijke) valwind, dus wind die de schoorsteen in blaast, verstoort het toestel niet;

vuil uit de afvoer valt niet op de warmtewisselaar.

Een toestel met VATO haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte waar het staat. In die ruimte hoort dus een luchttoevoeropening.

TTB staat voor thermische terugslagbeveiliging, ook afvoerbeveiliging genoemd. Werkt de afvoer niet goed, dan stroomt rookgas via de VATO terug de ruimte in, met kans op CO (zie paragraaf 1.4).

Zo werkt de TTB (zie figuur 1.6):

Tik op Terugslag en kijk wat de TTB doet.

  • het is een trage thermische schakelaar bij de VATO;
  • stroomt er langere tijd warm rookgas terug, dan warmt de schakelaar op;
  • de TTB zet dan het toestel uit. Afhankelijk van het toestel gaat het in vergrendeling, of het blokkeert en start na een wachttijd weer.
Figuur 1.6 Open toestel met VATO en TTB. Normaal gaat het rookgas omhoog de afvoer in.

Heeft een huishoudelijk toestel een VATO en is het na 1986 gebouwd, dan zit er altijd een TTB in (code BS). Een B22 of B23 heeft geen VATO.

Let op

je zet een TTB nooit buiten werking, ook niet om van een storing af te zijn. Gaat een toestel regelmatig uit op de TTB, dan kan dat wijzen op een gebrekkige rookgasafvoer. Ga meteen op zoek naar de oorzaak en laat het gebrek verhelpen. Bij onderhoud kijk je altijd na of er geen beveiliging is overbrugd, zoals de TTB of een luchtdrukschakelaar.

Wil je zien of er rookgas terugslaat bij de VATO? Houd er een dauwspiegel bij (die beslaat door de waterdamp in het rookgas) of meet met een CO2-meter.

Bron

Kleintje Gas Begrippenlijst, §2.3.2, §2.4.3, §4.3.1, §4.3.2 en §8.6.2.

Figuur 1.6: getekend naar Kleintje Gas, afb. 4.8 (§4.3.2) en afb. 2.21 (§2.4.3).

1.11 Regels

Welke regels gelden: Bbl, NEN, NPR en BRL 6000-25

Schets 1.11Wie bepaalt wat
  1. De wet

    Het Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving): de wet.

    Het Bbl bevat de wettelijke eisen aan gasinstallaties, onder meer over de plaats van het toestel, ventilatie, verbrandingslucht en rookgasafvoer. Dit zijn de (prestatie-)eisen waar de NPR naar verwijst. Het Bbl wijst daarnaast NEN-normen aan, zoals NEN 1078, NEN 1087, NEN 2757, NEN 3028 en NEN 8078. Ook voor bestaande bouw staan er eisen in het Bbl.

  2. Uitwerking

    NEN-normen: de technische uitwerking.

    Een NEN-norm geeft eisen en rekenmethoden. Voorbeeld: NEN 3028 geeft hoe groot de ventilatieopeningen van een opstellingsruimte moeten zijn. NEN 2757 geeft hoe je bepaalt of een rookgasafvoer goed werkt.

  3. Praktijk

    NPR: de praktijkrichtlijn.

    NPR staat voor Nederlandse Praktijkrichtlijn. Voor gasinstallaties is dat de reeks NPR 3378. Een NPR geeft voorbeelden van uitvoeringen die in de praktijk werken. Belangrijk:

    • een NPR is alleen informatief: het is geen norm en heeft geen normatieve waarde;
    • installeer je volgens een uitvoering uit de NPR, dan voldoe je aan de prestatie-eisen;
    • een andere uitvoering mag ook, maar dan moet je nagaan of die aan de prestatie-eisen voldoet, met de bepalingsmethode uit de NEN-norm (voor de rookgasafvoer NEN 2757-1 of -2);
    • wat de fabrikant voorschrijft gaat voor de NPR; dat geldt voor de toestelfabrikant en voor de maker van de uitmonding.
  4. Jouw bedrijf

    BRL 6000-25: de eisen aan jouw bedrijf.

    • Certificaat

      Sinds 1 april 2023 geldt de regeling voor gasverbrandingsinstallaties, de "gasketelwet". Wie werkt aan gastoestellen voor verwarming of warm water, moet gecertificeerd zijn. Het bedrijf heeft een bedrijfscertificaat nodig, de monteur het Bewijs van Vakmanschap CO.

    • Waarover

      De eisen aan het bedrijf staan in de BRL 6000-25 (beoordelingsrichtlijn). Die gaat over werk aan A-, B- en C-toestellen voor verwarming en warm water tot 100 kW nominaal vermogen, met hun luchttoevoer en rookgasafvoer: installeren, repareren, onderhouden en in bedrijf stellen. Het doel is te voorkomen dat CO ontstaat en zich verspreidt.

    • Verder dan de wet (BW)

      Een paar eisen gaan verder dan de wet, zoals het plaatsen van CO-melders en de sticker; die zijn gemarkeerd met (BW).

Twee BRL-plichten heb je bij elke klus.

Constateer je dat er te veel CO vrijkomt in een ruimte waar mensen kunnen zijn, dan moet je dat melden (hoe en aan wie, lees je in hoofdstuk 3, paragraaf 3.7).

En van elke controle leg je vast

  • wat je hebt gecontroleerd en op welke eisen,
  • wie dat deed en wanneer,
  • met welk meetinstrument,
  • en wat de resultaten waren.

Bestaande installaties.

Een bestaande gasinstallatie die niet is veranderd, moet voldoen aan de regels die golden toen hij werd aangelegd.

Vervang of verander je een deel, dan gelden voor dat deel de eisen voor nieuwbouw.

Een uitzondering: een rookgasafvoer die in overdruk werkt, moet ook in bestaande bouw even lekdicht zijn als bij nieuwbouw.

Bron

NEN 3028 §3.4; NPR 3378-60 Voorwoord; BRL 6000-25 §1.1, §1.3, §2.1, §5.3 en §6.1; Kleintje Gas §1.1.1 en §1.1.2.

Einde hoofdstuk 1

Kort samengevat

Gas, lucht en verbranding
  • Lucht is ongeveer 21% zuurstof (O2) en 79% stikstof (N2). Aardgas is vooral methaan (CH4).
  • Bij volledige verbranding geldt CH4 + 2 O2 → CO2 + 2 H2O. Voor 1 m3 methaan is 9,52 m3 lucht nodig.
  • Bij luchttekort of een slechte verbranding ontstaat koolmonoxide (CO).
Lucht en belasting
  • Vuistregel: een toestel heeft ongeveer 1 m3 lucht per uur per kW Bs nodig.
  • Hs (bovenwaarde) telt de condensatiewarmte mee, Hi (onderwaarde) niet. Rekenen doe je met Bs, en Bs = 1,11 x Bi.
Toestellen
  • Open toestel: lucht uit de ruimte. Gesloten toestel: lucht van buiten, rookgas dicht naar buiten.
  • Type A = afvoerloos, B = open met afvoer, C = gesloten. B11 = trekonderbreker en natuurlijke afvoer; C13 = gevel, C33 = dak, C63 = los gekeurd afvoermateriaal.
  • Open toestel: let op een keuken zonder ventilatie, een afvoer met te veel weerstand en onderdruk door mechanische ventilatie.
Beveiliging en regels
  • VATO = valwindafleider-trekonderbreker; TTB = thermische terugslagbeveiliging, die je nooit overbrugt.
  • Bbl = wet met prestatie-eisen die NEN-normen aanwijst; NPR = praktijkvoorbeelden zonder normatieve waarde; fabrikant gaat voor de NPR; BRL 6000-25 = eisen aan het gecertificeerde bedrijf, met meldplicht bij te veel CO en vastleggen van elke controle.
Hoofdstuk 1

Test jezelf

Vijf vragen. Kies eerst zelf, dan zie je het antwoord met uitleg.

Oefenen Microgames bij hoofdstuk 1

Speel het na

Herken de toesteltypen en de code op de sticker, en zie wat er bij de verbranding gebeurt. De stof van dit hoofdstuk in twee korte games uit de app; een game duurt een paar minuten.